Linnaeusstraat (2) — De drie levens van een zeer markant gebouw

Het meest markante gebouw aan de Linnaeusstraat werd als Burgerziekenhuis geopend in 1891. Daarna is het gebouw twee keer van bestemming gewisseld en is er flink verbouwd. Aan de buitenkant is nauwelijks iets veranderd, als was het een monument waar niets aan mag veranderen. Zo wordt het kenmerkende gebouw aan de Linnaeusstraat kennelijk gezien. Het is dan ook een gebouw dat een rijke geschiedenis met zich mee torst.

Vanaf de opening in 1891 stond het Burgerziekenhuis aan de Linnaeusstraat al meteen in een hoog aanzien (zie voor deze geschiedenis Het legendarische Burgerziekenhuis aan de Linnaeusstraat). Dat gold ook voor de in het ziekenhuis opgezette opleiding voor verpleegsters. Al direct in 1891 startte de net aangetreden geneesheer-directeur Bernhard Hendrik Stephan met die eigen opleiding, die bestond uit drie jaar werken in het ziekenhuis en daarnaast het volgen van theoretische lessen. Dit alles werd afgesloten met een erkend examen. In 1894 kregen de eerste verpleegsters hun diploma; velen zouden er daarna nog volgen. Stephan was ook betrokken bij de oprichting van de Nederlandsche Bond voor Ziekenverpleging, die de verpleegstersopleidingen en examens aan de Nederlandse ziekenhuizen ging keuren.

Voortdurend financiële zorgen

Het Burgerziekenhuis rond 1900
Het Burgerziekenhuis rond 1900

Al deze positieve ontwikkelingen voorkwamen echter niet dat er voortdurend financiële zorgen waren. Jaar na jaar was er een tekort. De kosten waren hoger dan de inkomsten. Zo werden er in 1897 in het hele jaar 784 patiënten verpleegd en waren er gemiddeld per dag 84 patiënten. De totale uitgaven waren in dat jaar 86.406,06 gulden, tegenover inkomsten van 63.697,46 gulden. Er resteerde dus een tekort 22.708,60 gulden.

“Een milde geefster”, zo meldde het Tijdschrift voor Geneeskunde, “verminderde de schuldenlast met 50.000 gulden”. In 1897 was er voor vijf jaar geld genoeg om toekomstige tekorten te kunnen dekken. Zo werd ieder jaar het tekort aangevuld met giften van rijke Amsterdammers.

Dagprijs

Voor het ziekenhuis bestonden er twee soorten burgers. De gewone burger die een dagprijs van 1,50 gulden moest betalen werd geplaatst in het ziekengebouw aan de Domselaerstraat. Aan de statige voorkant van het gebouw, aan de Linnaeusstraat, lagen de betere kamers, bestemd voor de meer daadkrachtige zieken. Vooral die laatsten maakten minder gebruik van het Burgerziekenhuis dan gedacht. De bezettingsgraad aan de Linnaeusstraat was jaar in jaar uit, veel te laag. Daardoor liep het Burgerziekenhuis inkomsten mis. Maar er was meer aan de hand. Alle kosten in ogenschouw genomen was wat de gewone burger betaalde te weinig. In 1902 legde het ziekenhuis er per patiënt per dag 0,71 gulden op toe; de patiënt betaalde 1,50 gulden, terwijl de kosten 2,21 gulden waren: 1,13 voor eten, 0,34 voor water en licht, 0,60 voor salariskosten en 0,14 aan medicijnen.

Voor het Burgerziekenhuis was het blijven behandelen van de burger die behoefte had aan verpleging een principekwestie, ook al leidde dat tot een permanent verlies op de exploitatie. De vele schenkingen maakte het mogelijk dat “verpleging(kon) worden gegeven aan een aantal personen, die in de stedelijke ziekenhuizen geen verpleging konden en ook niet behooren te vinden, en voor welke niettemin verpleging in een ziekenhuis vaak gewenscht of noodzakelijk is, en die er inderdaad vaak erger aan toe zijn dan de officiëele armen”, in de woorden van het Tijdschrijft voor Geneeskunde uit die tijd.

Eigen pensioenregeling

De permanente financiële zorgen waren geen belemmering om in 1906 een eigen pensioenregeling voor verpleegsters op te zetten. Als zij de leeftijd van 55 jaar bereikten, kregen ze een klein pensioen. Het bestuur vond dat niet meer dan billijk. Een verpleegster bleef immers doorgaans ongetrouwd en dus was er niemand die hen, eenmaal oud geworden, kon onderhouden. Feitelijk waren de verpleegsters met hun werk getrouwd; het was daarom logisch dat het ziekenhuis de verplichting van een pensioenuitkering op zich nam. Het pensioen bedroeg in die beginjaren overigens 17 gulden per jaar.

De financiële situatie blijft echter heel lang weinig rooskleurig. In 1916 zijn er bijvoorbeeld nog geen 100 van de 150 bedden bezet. In de jaren na 1920 gaat het nog slechter. Het bestuur denkt meerdere keren aan het sluiten van het Burgerziekenhuis. In de jaren na 1930 gaat het langzaam wat beter. Belangrijk daarbij was dat de gemeente toezegde meer ziekenfondspatiënten door te verwijzen naar het Burgerziekenhuis, waardoor de bezettingsgraad steeg. Die nam nog verder toe toen de gemeente in 1936 het bij het Vondelpark gelegen Tesselschadeziekenhuis sloot. Er verdwenen daardoor 345 ziekenhuisbedden in Amsterdam, waarvan ook het Burgerziekenhuis kon profiteren. De economische crisis van de jaren dertig van de 20ste eeuw eiste ook haar tol. Van overheidswege werd er een limiet gesteld aan de verpleegprijs per dag. Daardoor liepen de tekorten van het Burgerziekenhuis weer hoog op. Het bestuur besloot in te teren op de reserves en het ziekenhuis te sluiten als de reserves opgebruikt zouden zijn. Dat besluit werd herzien toen in 1939 de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Door de noodzakelijke verpleging van militairen naam het aantal patiënten weer toe.

Helpende hand

Het voormalige Revalidatie Instituut Muiderpoort aan de Domselaerstraat
Het voormalige Revalidatie Instituut Muiderpoort aan de Domselaerstraat

Na de oorlog was de financiële situatie er niet beter op geworden. Nog steeds waren de kosten hoger dan de inkomsten. In 1948 nam het bestuur het besluit het Burgerziekenhuis het daaropvolgende jaar te zullen gaan sluiten. Het bestuur rekende op een helpende hand van het gemeentebestuur van Amsterdam, maar die kwam er niet. Eind 1949 kwam er wel een reddingsboei van een heel andere kant.

De Sociale Verzekeringsbank (SVB), toen nog de Rijksverzekeringsbank geheten, bekostigde de revalidatie van werknemers die de pech hadden bij een verkeersongeluk of bedrijfsongeval betrokken te zijn geweest. Met het Burgerziekenhuis werd in 1950 afgesproken dat de SVB permanent 25 bedden zou gebruiken voor revalidatie van werknemers. Daarnaast kocht de bank een deel van het terrein en met dit geld kon het ziekenhuis tekorten dekken. De samenwerking tussen SVB en Burgerziekenhuis verliep zo goed dat er in 1955 voor het eerst sprake was van een sluitende exploitatie van het Burgerziekenhuis. In de jaren zeventig van de vorige eeuw werd er, als gevolg van de goede samenwerking een speciaal gebouw voor de revalidatie werd neergezet: het Revalidatie Instituut Muiderpoort aan de Domselaerstraat.

Toenemende concurrentie

De permanente financiële zorgen hadden ook hun effect op de staat van het gebouw. Er was lange tijd geen geld om te investeren of zelfs maar te vervangen. Zo werden de ziekenhuisbedden die in 1890 waren aangeschaft pas in 1955 vervangen door verrijdbare bedden. Hoe modern het ziekenhuis bij de opening ook was, het werd door de jaren heen steeds sleetser en ouderwetser. Ook al ging het financieel nu wat beter, het Burgerziekenhuis kon de concurrentie met andere ziekenhuizen, die meer met de tijd mee waren gegaan en moderner waren, steeds moeilijker volhouden. In 1960 was de prognose dat Amsterdam er de komende twintig jaar nog elf ziekenhuizen bij zou krijgen. Het bestuur maakte plannen (het plan 1960 en het plan 1966) om in die veranderende tijden als zelfstandig ziekenhuis overeind te blijven. Uitbreiding en vernieuwing was hierbij het credo. Zo kwam er in 1970 het Tussengebouw, dat een verbinding maakte tussen Linnaeusstraat en Domselaerstraat. In 1972 werd begonnen met de bouw van een nieuw operatiegebouw, naast het oude gebouw met de koepel.

Veranderende tijden

Ondanks de bouwwoede waren het dreigende tijden voor het voortbestaan van het Burgerziekenhuis. De overheid ging zich in 1974 bemoeien met de als maar stijgende kosten van de ziekenzorg, die begin jaren zestig was ingezet. De kosten voor ziekenhuizen in 1970 waren tien keer verdubbeld ten opzichte van de kosten in 1953. In Amsterdam was er een overcapaciteit aan ziekenhuisbedden. De regering vond dat daar wat aan gedaan moest worden, zo liet de staatssecretaris van Volksgezondheid in 1976 aan het Amsterdamse gemeentebestuur weten. Daar kwam nog bij dat de gemeente plannen had om een nieuw en groot Academisch Medisch Centrum op te zetten, waardoor het aantal ziekenhuisbedden nog verder zou toenemen. Al in 1977 voerde het bestuur geheime besprekingen om het Burgerziekenhuis naar de Flevopolder te verhuizen. Aanvankelijk zou dat naar Lelystad zijn, zoals in de loop van 1977 uitlekte, uiteindelijk werd het Almere, dat toen nog alleen op de tekentafel bestond, maar snel zou groeien tot een stad met meet dan 100.000 inwoners in 1990. Het 100-jarige bestaan van de Stichting Burgerziekenhuis Amsterdam in 1979, kon nog in de Linnaeusstraat worden gevierd, maar verder stond alles in het teken van de naderende verhuizing. Voordat het zover was ging er nog wat tijd overheen, maar in 1988 wordt in Almere de eerste paal van het nieuwe ziekenhuis geslagen. Ver voor de verhuizing, al in 1985 werd er driftig nagedacht wat met het markante gebouw aan de Linnaeusstraat zou moeten gebeuren als het ziekenhuis definitief zou zijn vertrokken. Dat gebeurde uiteindelijk in 1991.

Drastische verbouwing

Nieuwbouw met woningen op het binnenterrein
Nieuwbouw met woningen op het binnenterrein

De gemeente Amsterdam kocht de grond en de gebouwen aan en besluit tot afbraak van een deel van de nieuwbouw en enkele van de oude gebouwen. Zo verdwijnt het nog zeer nieuwe operatiegebouw en het Tussengebouw. Op het terrein kwam nieuwbouw voor woningen. Wat resteert van het ziekenhuis wordt in 1991 drastisch verbouwd. De ziekenvleugel wordt een woon- en werkruimte voor vrouwen.

In het operatiegebouw kwam een ruimte voor exposities en woningen. In 1992 opent het stadsdeelkantoor Amsterdam Oost haar deuren in het verbouwde hoofdgebouw van het Burgerziekenhuis.

Heel lang zou het stadsdeel er niet kantoor houden. In 1998 gingen stadsdelen in Amsterdam fuseren; Stadsdeel Oost ging samen met stadsdeel Watergraafsmeer. Een groter onderkomen was daardoor nodig. Na nieuwbouw van het stadsdeelhuis, vertrok het stadsdeel in 2009 van de Linnaeusstraat. En weer werd het pand verbouwd, tot hotel dit keer. Al die tijd heeft niemand iets willen veranderen aan de markante buitenkant van het gebouw. Vanaf de Linnaeusstraat ziet het gebouw met hotel er nog net zo uit als toen het als ziekenhuis werd geopend. Dat mag een bijzondere verdienste genoemd worden van architect Van Gendt.

Hans Buis

prins_bernard_gewond_bij_auto_ongeluk

Prins Bernhard in de fout

Een zware hersenschudding, en schedelbasisfractuur en een paar gebroken ribben. Dat is de diagnose die prins Bernhard kreeg op 29 november 1937 in het Burgerziekenhuis. De prins was met veel vaartje van 90 kilometer tegen een zandauto gereden op de Muiderstraatweg in Diemen, binnen de bebouwde kom dus.

En ook al wilde Bernhard aanvankelijk de andere chauffeur een proces aandoen, het was overduidelijk dat hij zelf het ongeluk had veroorzaakt. De prins moest een paar weken in het ziekenhuis blijven. Prinses Juliana, hoogzwanger van prinses Beatrix, en koningin Wilhelmina namen ook hun intrek in het ziekenhuis. Staatszaken werden tot 5 januari 1938 in het Burgerziekenhuis afgehandeld.

Ajax legacy and heritage collection. Details will be updated shortly.

De meest beroemde boorling

Als je in Betondorp woonde, was het Burgerziekenhuis de meest nabije plek voor medische verzorging of voor medische assistentie bij geboorten. De meest beroemde boorling van het Burgerziekenhuis is ongetwijfeld Johan Cruyff, die er op 25 april 1947 geboren werd. 

Manor Hotel

Dak opgekrikt

Na het vertrek van het stadsdeel werd het hoofdgebouw aan de Linnaeusstraat tot hotel verbouwd. Om meer hotelkamers te creëren werd de overkapping van het hoofdgebouw tachtig centimeter opgekrikt. Hierdoor ontstond voldoende ruimte om te lopen en te staan en was het mogelijk op de zolder 33 hotelkamers te maken.

Omdat het dak nu hoger en langer werd, volgde er een speurtocht naar oude dakpannen om het verlengen van het dak aan de buitenkant niet zichtbaar te laten zijn. Wel nieuw zijn de markiezen aan de voorgevel. Ze hebben de aloude oranje-wit gestreepte kleuren gekregen, waardoor de voorkant er vertrouwd uitziet.

SONY DSC

Eten in de 'wijnwinkel'

Het Manor Hotel is onderdeel van de Hamshire hotelketen. In het hotel is het Italiaanse restaurant Enoteca gevestigd. De helaas overleden Amsterdamse restaurantcriticus Johsnnes van Dam gaf Enoteca een 8+ toen hij het restaurant in 2011 bezocht (Het Parool 17 september 2011). Enoteca betekent wijnwinkel, maar kan ook vertaald worden met wijnkelder.

afbeelding BVV_1

BVV voor iedereen

Na het vertrek van het Burgerziekenhuis zorgde in het oude ziekengebouw aan de Domselaerstraat de stichting Bedrijvencentrum voor Vrouwen (BVV) voor de verhuur van bedrijfsruimten. De ruimten zijn kleinschalig en met redelijk lage huren zeer geschikt voor startende ondernemers. Hoewel de naam niet is veranderd, is het exclusief richten op vrouwelijke ondernemers in 2012 verdwenen. Per 1 januari 2016 is de naam veranderd in Ondernemerscentrum Muiderpoort. Er zijn 34 bedrijfsruimten, variërend van 10 tot 45 m2, die met enige regelmaat te huur staan; www.stichtingbvv.nl.

Bronnen:

  • Bert Speet en Dick van de Pol, Van Burgers naar Buitenlui. Na honderdtwaalf jaar Amsterdam verhuist het Burgerziekenhuis naar Almere. Een tijdsbeeld. Cambrium Laren 1991
  • Wim de Wagt, Paleis voor alle burgers. Van Burgerziekenhuis tot design hotel. Lubberhuizen Amsterdam 2011
  • Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, Burgerziekenhuis te Amsterdam. Jaargang 1898, bladzijde 871.
  • Marius van Melle, Bedden voor burgers met gasthuisvrees, in Ons Amsterdam nr. 11 – 12. December 2007
  • M.M. Bakker en F.M. van de Pol, Architectuur en stedebouw in Amsterdam 1850 – 1940. Rijksdienst voor de monumentenzorg Zeist 1992
  • Applicatie (App). Architectuur en geschiedenis van Amsterdam tussen 1850 en 1940. Van Contenecontent.com.  Voor Android (Google play) en iOS (App Store) http://020apps.nl/1850-1940/app

Linnaeusstraat (1) — Het legendarische Burgerziekenhuis

Particulier initiatief zorgde er voor dat het Burger- ziekenhuis op 18 maart 1891 een gloednieuw gebouw aan de Linnaeusstraat in gebruik kon nemen. De enorme groei van het aantal inwoners van Amsterdam had zeker met de keuze voor het vestigen in Amsterdam Oost te maken. Het ziekenhuis was bij de opening het meest moderne van het land.

Voordat het Burgerziekenhuis in Oost neerstreek, opende het in 1879 voor het eerst haar deuren aan de Keizersgracht 187. Het was een enerverende tijd voor de ontwikkelingen in de medische behandeling. Het belang van hygiëne om ziekteverwekkers te weren, werd vastgesteld, sterilisatie van wondverbanden en medische gereedschappen werden gemeengoed en de narcose deed zijn intrede. Dat alles vereiste een moderne aanpak van de behandeling en verpleging van zieken.

Het Burgerziekenhuis in 1891
Het Burgerziekenhuis in 1891

Het was voor het eerst dat er ziekenhuizen ontstonden zoals we die nu nog kennen. Een verschijnsel dat zich in heel Europa voordeed, met Duitsland en Frankrijk als lichtend voorbeeld. In Amsterdam ontstonden aan het einde van de 19e eeuw in korte tijd op zeven verschillende plekken ziekenhuizen.

Te mijden als de pest

Er kwamen gereformeerde en lutherse ziekenhuizen en in 1898 werd het rooms-katholieke Onze Lieve Vrouwen Gasthuis bij het Oosterpark geopend. De toenemende aandacht voor zorg en welzijn van de alsmaar groeiende stadsbevolking had daar alles mee te maken. Medische inzichten en sociale motieven gingen dus hand in hand. Het is dan ook geen toeval dat het Burgerziekenhuis van het te klein geworden onderkomen aan de Keizersgracht verhuisde naar het zich toen snel ontwikkelende Amsterdam Oost.

Ziekenhuizen waren een nieuw verschijnsel in die tijd. Daarvoor bestonden er al eeuwen gasthuizen, maar die waren in niets te vergelijken met het moderne ziekenhuis zoals die in de tweede helft van de 19e eeuw opgeld deden. Gasthuizen waren plekken om te mijden als de pest. Dat mag ook zeer letterlijk genomen worden, want één van de Amsterdamse gasthuizen was ook een pesthuis, waar de aan deze zeer besmettelijke ziekte lijdende patiënten naar toe gebracht werden. Dat was het Buitengasthuis, niet voor niets buiten de stadsmuren gelegen. Verder was er in de stad het Binnengasthuis, gelegen binnen de stadsmuren.

De toegangspoort naar het Binnengasthuis
De toegangspoort naar het Binnengasthuis

In de 19e eeuw kwam je als zieke alleen maar in gasthuizen terecht als er echt geen andere mogelijkheid meer was. Dan was je erg arm en kon je familie niet meer voor je zorgen. Genezen was nu niet meteen het kenmerk van de gasthuizen. In het Buitengasthuis stierf 1 op de 4,2 binnengebrachte patiënten (op basis van cijfers over de jaren 1818 – 1827). In het Binnengasthuis was dat iets beter: 1 op de 9,5. Het personeel was ronduit wreed. Patiënten werden mishandeld als ze geen fooien gaven, medicijnen werden hen onthouden en aan andere tegen betaling aangeboden; dat gebeurde ook met het eten. Het personeel – zeker geen verplegenden – was zelf zeer arm, maakte lange werkdagen en kreeg nauwelijks betaald. Een opleiding voor verplegenden bestond al helemaal niet.

 De ‘Amsterdamse Gasthuiskwestie’

De Amsterdamse politiek kende in de 19e eeuw dertig jaar lang de Gasthuiskwestie. Er moest wat aan de wantoestanden gedaan worden, maar wat? Dat bleef jaar in jaar uit een onopgeloste zaak. Er werd veel over geschreven, er werden voorstellen gedaan, maar er veranderde niets wezenlijks. De afwezigheid van de wil bij de meerderheid in de gemeenteraad om een leidende rol te spelen in de samenleving, verlamde de besluitvorming. De heersende opvatting was dat het bestuur van de gemeente zich met sociale ontwikkelingen in de stad niet moest bemoeien, particulieren moesten het maar doen. Diezelfde houding van afzijdigheid strekte zich ook uit tot de fysieke groei van Amsterdam en leidde tot het ontstaan van direct al als onleefbare betitelde woonwijken, zoals de Pijp, de Dapperbuurt en de Oosterparkbuurt. (Lees hier meer over in De ellendigste straten met de edelste namen).

Anton Berns
Anton Berns

Als het om medische zorg ging roerden de particulieren zich voluit. Veel maatschappelijke en religieuze instellingen, maar ook individuen hadden aandacht voor zorg en welzijn van de Amsterdamse bevolking. Onder hen waren ook de arts Anton Berns en zijn vrouw Woltera van Rees. Anton Berns schreef twee uitvoerige brochures over de noodzaak de gasthuizen te hervormen; de publicaties verschenen in 1883 en 1886 en vormden een bijdrage aan de discussie over de ‘gasthuiskwestie’.

Berns stelde zelfs voor het Binnengasthuis af te breken, de grond te exploiteren en met het verdiende geld op de plek van het naargeestige Buitengasthuis een modern ziekenhuis te bouwen. Om zijn doel te bereiken nam hij ook zitting in de gemeenteraad, maar dat mocht niet baten. In de Amsterdamse politiek veranderde er niets. Al schijnt het karakter van Berns niet geholpen te hebben zijn plannen te verwezenlijken. Berns was erg overtuigd van zijn eigen gelijk en hij wilde dat graag krijgen ook. Wie het niet met hem eens was, had gewoon minder goede argumenten, vond hij.

Een vereniging voor zieke burgers

Het echtpaar Berns - Van Rees nam het heft in eigen hand, op de gemeenteraad kon niet gewacht worden. Ze richtten in 1878 de Vereniging Burgerziekenhuis Amsterdam op met als doel een ziekenhuis te stichten. Een ziekenhuis voor de burger die te arm was om een dokter aan huis te laten komen, maar wel geld genoeg had om een bijdrage te geven aan een behandeling in een ziekenhuis. Het kostte het echtpaar Berns maar een paar maanden om het benodigde bedrag van 60.000 gulden bij elkaar te krijgen; er werd zelfs 12.000 gulden meer opgehaald.

Anton Berns en Woltera van Rees
Anton Berns en Woltera van Rees

Bijzondere verdienste hadden daarbij Abraham Wertheim, een bekende Amsterdamse bankier en weldoener, en Alexander Sillem die de penningmeester van de Vereniging werd. Zij geloofden erg in de noodzaak van een ziekenhuis voor de middenklasse die in belangrijke mate bijdroeg aan de economische groei van de stad.

In 1879 opende het Burgerziekenhuis de deuren aan de Keizersgracht 187. Anton Berns werd geneesheer-directeur en zijn vrouw Woltera van Rees zwaaide de scepter over de verpleegafdeling. De verpleging werd vooral door vrouwen uit de gegoede klasse gedaan. Een salaris stond er niet tegenover.

Een stuk weiland aan de Linnaeusstraat

Het Burgerziekenhuis was al snel een doorslaand succes. Het aantal patiënten verdrievoudigde tussen 1879 en 1886. In 1882 was het al noodzakelijk gebleken het ziekenhuis uit te breiden door het belendende pand bij het ziekenhuis te trekken. Daarmee was aan de behoefte aan bedden nog niet voldaan. Verdere uitbreiding aan de Keizersgracht zat er niet in; er werd gezocht naar een nieuwe locatie. Dat werd uiteindelijk een flink stuk weiland aan de Linnaeusstraat. Het stuk grond werd in de zomer van 1884 in der haast aangekocht na een besluit door slechts drie leden van het bestuur van de Vereniging – de andere leden van het bestuur waren op vakantie. De drie bestuursleden waren bang achter het net te vissen. Amsterdam Oost groeide immers snel en andere gegadigden zouden de grond wel eens willen verwerven om er huizen op te zetten.

Het Burgerziekenhuis vlak na de opening
Het Burgerziekenhuis vlak na de opening

De grond was nu in eigendom van de Vereniging, maar het geld voor de bouw van een nieuw ziekenhuis moest nog bij elkaar gebracht worden. Geld dat weer van particulieren moest komen. Dat kostte dit keer meer moeite dan bij de start van de Vereniging vijf jaar daarvoor. Niettemin werd met de bouw begonnen voor het benodigde kapitaal helemaal binnen was, dat was in 1889. De verloting van 156 kunstwerken door kunstenaars voor een bescheiden bedrag aan de Vereniging beschikbaar gesteld, bracht in 1891 uitkomst. Er werd nu genoeg geld ingezameld en op 18 maart 1891 opende het Burgerziekenhuis aan de Linnaeusstraat de deuren. Daar stond het ziekenhuis in de eerste jaren nog in een kale vlakte en kon er uitgekeken worden op de omringende weilanden.

Duitsland als voorbeeld

Het was het meest moderne ziekenhuis uit die tijd. Berns en de architect A.L. van Gendt -  ook de architect van het Concertgebouw - hadden zich georiënteerd in Duitsland waar de stand van kennis over ziekhuisbouw toen stukken verder was dan in Nederland. In Duitsland stond de paviljoenbouw voor ziekenhuizen in hoog aanzien. Dit concept week af van de corridorbouw: lange gangen waar ziekenzalen aan lagen. Bij de paviljoenbouw ging het om gebouwen verspreid over een terrein, zodat er veel licht de ziekenzalen in kon stromen. In paviljoens werd het Burgerziekenhuis niet gebouwd, maar veel licht werd er wel gecreëerd door op het binnenterrein een grote tuin aan te leggen.

De ziekenzalen waren te vinden in het hoofdgebouw aan de Linnaeusstraat en haaks daarop in wat het ziekengebouw heette, aan de Domselaerstraat. En ook al lagen de zalen traditioneel aan een gang, de zieken konden vanuit hun bed uitkijken op het groen. Er kwamen loggia’s en serres, waar het goed toeven was. Er stonden ook gebouwen apart in de tuin, al waren die niet voor het verplegen van zieken bedoeld. Kenmerkend is nog steeds het gebouw met de koepel (foto rechts) waar de operatiekamers waren en waar aangrenzend de polikliniek werd gevestigd. Moderne technische installaties zorgden er voor dat er verwarming en elektrisch licht in het hele ziekenhuis aanwezig was.

Het voormalige operatiegebouw
Het voormalige operatiegebouw

Dat de operatiekamers in het koepelgebouw werden gehuisvest, was het gevolg van inzichten dat besmetting zo veel mogelijk moest worden voorkomen. Daarom werden de patiënten met besmettelijke ziekten in een apart, volledig geïsoleerd gebouw behandeld dat veraf lag van de Linnaeusstraat, op het uiterste puntje van ziekenhuisterrein. Overigens lag niet ver daarvandaan het lijkenhuis.

Het ziekenhuis was ook modern in haar organisatievorm. Anton Berns stond aan het roer als geneesheer-directeur. De zeggenschap over een ziekenhuis moest in zijn ogen daar liggen en niet bij een bestuur. De taak die hij voor een bestuur zag was vooral op het geld te letten, op de exploitatiekosten dus.

Lang bleef het echtpaar Berns niet aan het roer staan van het Burgerziekenhuis. In 1892 – een jaar na de opening aan de Linnaeusstraat - vertrokken zij naar Freiburg in Duitsland, om zich daar toe te leggen op het kweken van coniferen. Het echtpaar bleef wel zitting houden in het bestuur.

Lees meer over het Burgerziekenhuis en wat er met het gebouw gebeurde nadat het ziekenhuis naar Almere verhuisde in De drie levens van het meest markante gebouw aan de Linnaeusstraat.

Hans Buis

A.L. van Gendt

Architect Van Gendt

Architect A.L. van Gendt heeft in Amsterdam naast het Burgerziekenhuis meer markante gebouwen ontworpen. Zijn meest bekende creatie is ongetwijfeld het Concertgebouw. Hij is ook de architect van het Heineken paviljoen, aan het 2e Weteringsplantsoen. Hier woonde lange tijd G.A. Heineken; het was maar een paar minuten lopen naar de Heineken brouwerij aan de Stadhouderskade, aan de andere kant van het water. 

Van Gendt werkte verder mee aan het ontwerp van het Centraal Station (hoofd architect Pierre Cuypers) en de Stadsschouwburg (hoofd architecten vader Willem en zoon Jan Springer). Van Gendt ontwierp ook Café de IJsbreker aan de Weesperzijde. Ook de half overdekte winkelgalerij aan de Raadhuisstraat is ontworpen door het kantoor A.L. van Gendt en Zonen. De Raadshuisstraat werd in 1895 aangelegd als een doorbraak tussen Dam en – gedempte - Rozengracht. Door het verdwijnen van de stadswallen was er behoefte aan een uitvalsweg naar het westen. Door de aanleg van de Raadhuisstraat moesten er panden aan de grachten gesloopt worden. Het eerste onderkomen van het Burgerziekenhuis – aan de Keizersgracht 187 – was één van de panden die werden gesloopt.

 

Woltera van Rees

Bordje Woltera van Reesstraat

Het echtpaar Van Rees bemoeide zich pas op latere leeftijd met de ziekenzorg in Amsterdam. Oorspronkelijk als predikant opgeleid in Utrecht, studeerde Anton Berns pas op 31 jarige leeftijd in 1869 af als arts. Het echtpaar trok naar de Frans Duitse grens waar van 1870 tot 1871 de Frans-Duitse oorlog in alle hevigheid woedde, om daar de soldaten te verplegen. Na de oorlog belandde het echtpaar in de Duitse stad Freiburg. Hier kon Anton Berns hoogleraar worden, maar hij deed liever het praktische werk van een arts. In 1875 opende hij een praktijk aan de Leliegracht 17. Consulten werden ook afgenomen in het Zeemanshuis aan het Kadijksplein waar vooral zeelieden als patiënten behandeld werden.

Wertheim

Weldoener Wertheim

De bekende Amsterdamse bankier en weldoener Abraham Carel Wertheim, was behalve lid van de Commissie van Oprichting, van 1886 tot aan zijn dood in 1897 voorzitter van de Vereniging Burgerziekenhuis. Wertheim was bij bijna elk sociaal initiatief in Amsterdam betrokken. Hij gaf daarbij niet alleen geld, maar ook waardevolle adviezen. Hij gebruikte zijn uitgebreide netwerk om geld los te peuteren. Net aangetreden als voorzitter lukte het hem in korte tijd 350.000 gulden bij elkaar te krijgen voor het te bouwen pand aan de Linnaeusstraat. Een gift van 100.000 gulden kwam van de directeur van de Deli-Maatschappij, die toen in de tabaksteelt in Indonesië zat. Ter vergelijking: een fabrieksarbeider verdiende toen ongeveer 500 gulden per jaar.

Het Wertheimpark gelegen tegenover de Hortus Botanicus, is naar A.C. Wertheim genoemd. Het park is vooral bekend vanwege het Auschwitz herinneringsmonument Gebroken Spiegels, gemaakt door de schrijver Jan Wolters.

Sillem foto

Fondsenwerver Sillem

Voor de oprichting van het Burgerziekenhuis was ook Alexander Sillem van groot belang, die de eigenlijke fondsenwerver van de Vereniging werd. In het bestuur zette hij zich bijzonder in om het plan voor een ziekenhuis voor gewone burgers te realiseren. Hij was ook, naast Berns, één van de drie bestuursleden die op stel en sprong besloten de grond aan de Linnaeusstraat te kopen om daar het Burgerziekenhuis te kunnen vestigen. Tot aan zijn dood in 1912 was Sillem penningmeester van het bestuur van de Vereniging. Zijn memoires, Herinneringen, heeft hij gekluisterd aan zijn ziekbed, in het Burgerziekenhuis geschreven. Hij overleed overigens niet in het Burgerziekenhuis, maar thuis.

Wilhelmina gasthuis

Het Binnengasthuis toch vervangen

De gasthuiskwestie van Amsterdam leidde uiteindelijk toch tot de bouw van een nieuw ziekenhuis vlak bij de plek waar het Buitengasthuis stond. Dat werd het Wilhemina Gasthuis aan de Eerste Helmersstraat in Amsterdam West. In 1891 werd dit nieuwe ziekenhuis geopend, dat was gebouwd volgens de principes van de paviljoenbouw. De eerste ideeën hiervoor waren al in 1867 aangeleverd door de architect Cornelis Outshoorn, die ook het Amstel Hotel en het in 1929 afgebrande Paleis voor Volksvlijt ontwierp. Outshoorn verwees voor de ideeën van de paviljoenbouw naar voorbeelden in Frankrijk. Outshoorn overleed in 1875, ver voor het Wilhemina Gasthuis gerealiseerd werd. Het hoofdgebouw van het ziekenhuis werd ontworpen door H. Leguyt (op de foto de poort die toegang gaf tot het hoofdgebouw). Het Wilhelmina Gasthuis bleef tot 1983 bestaan, toen verhuisden de laatste patiënten naar het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam ZuidOost. Ook het Binnengasthuis werd onderdeel van het AMC.

Bronnen:

  • Annet Mooij, De polsslag van de stad. 350 jaar academische geneeskunde in Amsterdam. Arbeiderspers Amsterdam 1999
  • Bert Speet en Dick van de Pol, Van Burgers naar Buitenlui. Na honderdtwaalf jaar Amsterdam verhuist het Burgerziekenhuis naar Almere. Een tijdsbeeld. Cambrium Laren 1991
  • Wim de Wagt, Paleis voor alle burgers. Van Burgerziekenhuis tot design hotel. Lubberhuizen Amsterdam 2011
  • Marius van Melle, Bedden voor burgers met gasthuisvrees, in Ons Amsterdam nr. 11 – 12. December 2007
  • Prof. C.B. Tilanus, De Amsterdamsche gasthuiskwestie. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 7 januari 1865.
  • Barbara van Vonderen, Deftig en ondernemend. Amsterdam 1870 – 1910. Meulenhoff Amsterdam 2013
  • Marius van Melle, Bedden voor burgers met gasthuisvrees, in Ons Amsterdam nr. 11 – 12. December 2007
  • Esther Gramsbergen, Kwartiermakers in Amsterdam. Stedelijke instellingen als aanjagers van de ruimtelijke ontwikkeling 1580 – 1880. Uitgeverij Vantilt Nijmegen 2014.
  • M.M. Bakker en F.M. van de Pol, Architectuur en stedebouw in Amsterdam 1850 – 1940. Rijksdienst voor de monumentenzorg Zeist 1992
  • Applicatie (App). Architectuur en geschiedenis van Amsterdam tussen 1850 en 1940. Van Contenecontent.com. Voor Android (Google play) en iOS (App Store) http://020apps.nl/1850-1940/app

Boerhaavestraat — Beroemd in de hele wereld

Hij was in zijn tijd een fenomeen in de wetenschap; les geven kon hij als geen ander; hij was wereldberoemd zonder ooit maar een voet over de grens te hebben gezet. Sterker nog: meer dan de afstand Leiden Harderwijk had hij in zijn leven niet afgelegd. Hij kwam wel met enige regelmaat in Amsterdam. Herman Boerhaave is zijn naam. Ooit waren er 4 Boerhaavenstraten in Amsterdam: de 1e tot en met de 4e – waarvan alleen de 1e e de 2e Boerhavenstraat nog over is; en er is ook nog steeds een Boerhaaveplein. Er was ook een Boerhaave Kliniek, nu bekend als het Boerhaave Medisch Centrum. Waarom was Boerhaave zo beroemd en werd hij zo vereerd?

Herman Boerhaave
Herman Boerhaave

In zijn tijd kende iedereen Herman Boerhaave (1668 – 1738). Zijn onmetelijke werkdrift en doorzettingsvermogen heeft daar zeker aan bijgedragen. Maar het was vooral zijn grote kennis van de geneeskunde en zijn vernieuwde ideeën daarover die hem zo beroemd maakten. Hij ontwikkelde een geheel nieuwe kijk op de medische wetenschap. Hij legde vooral nadruk op het in alle rust stellen van een diagnose en het goed kijken naar symptomen op basis van een open houding. Hij verafschuwde medische handelingen die voortkwamen uit gewoonte of veronderstellingen. In zijn lessen aan de universiteit ontvouwde hij ook een nieuwe indeling van de medische wetenschap.

Geen reislust

Herman Boerhaave is zijn hele leven verbonden geweest aan Leiden. Hij is er geboren en overleden. Hij kwam deze stad nauwelijks uit. Van reislust had hij geen last. Werklust had hij daarentegen in grote mate. Hij stond in de regel vroeg op – zo rond 4 uur in de ochtend – om wat te werken voor hij zo rond 8 uur aan het college geven begon. Na de arbeidzame dag ging hi tot ’s avonds laat verder met zijn werk: het voorbereiden van colleges en het beantwoorden van de vele vragen die hij in brieven kreeg toegestuurd.

Doorzettingsvermogen heeft veel met deze werklust te maken gehad. Dat bleek al toen hij nog heel jong was. Vanaf zijn 11e levensjaar werd hij geplaagd door een pijnlijke zweer op zijn dijbeen, die tijdens zijn verdere leven bij tijd en wijle flink opspeelde. De zweer werd tot een open wond die maar niet dicht wilde gaan. In zijn dagelijkse leven had hij van deze wond uiteraard veel last. De pijnlijke hinder die hij ondervond, weerhield hem er niet van in rap tempo de Latijnse School te doorlopen. Op zijn 13e begon hij in de vierde klas om met Kerst over te gaan naar de 5e klas. Een  half jaar later had hij de 6e en laatste klas met succes doorlopen. Hij was toen nog geen 15 jaar oud. Eind 1683 overleed zijn vader  plotseling. Boerhaave stelde de start van zijn studie aan  de universiteit met een half jaar uit. In 1684 begon hij als 15 jarige   aan een studie filosofie en oude talen. Al die tijd had hij veel last gehad van de zweer en wond aan zijn dijbeen.

De Latijnse School in Leiden
De Latijnse School in Leiden

Langste afstand

Als hij 16 jaar oud is verdwijnt de zweer echter, na een behandeling die hij zelf bedacht had. Dat zelf bedenken van een behandeling zou hij in zijn leven nog vaker herhalen. Niet zozeer voor hem zelf, maar voor vrienden. Al die tijd had Boerhaave het niet breed. Hij moest leven van de kleine erfenis die zijn vader hem had nagelaten. Na drie jaar studeren was het geld van de erfenis echter op. Hij vroeg een beurs aan en kreeg deze ook – iets dat in die tijd niet vanzelfsprekend was. Als hij bijna 22 jaar oud is, in 1690, promoveerde hij in de filosofie.

Boerhaave postzegel uit 1938

In de tussentijd was zijn belangstelling voor de scheikunde en de wiskunde gewekt, maar hij begon in 1690 aan een studie geneeskunde. In 1693 promoveerde hij tot doctor in de geneeskunde in Harderwijk; hij was toen 24 jaar oud en had twee studies afgerond. De reis van Leiden naar Harderwijk was de langste afstand die Herman Boerhaave ooit in zijn hele leven heeft afgelegd.

Geslachtsziekten

Na zijn twee afgeronde studies bleef Herman Boerhaave vooral kennis opdoen van de scheikunde, die in zijn tijd aan een nieuwe fase begon. Tot dan toe was het omgeven met mystiek en alchemie. In de loop van de 17e eeuw werd de scheikunde hiervan langzaam ontdaan. Proefondervindelijk vaststellen wat met chemische middelen werkte en niet werkte, wekte de belangstelling van medici, waaronder Boerhaave. De gedachte was dat chemische middelen ziekten ook zouden kunnen bestrijden, naast de gangbare plantaardige middelen. Het bleek ook dat dit het geval was; zo konden geslachtsziekten met chemische middelen effectief worden bestreden. Daarnaast verdiepte Boerhaave zich in de theorieën over de mechanica: het werktuigelijk verklaren van het functioneren van het menselijk lichaam.

Een nieuw geneeskundig onderwijs

Het standbeeld van Boerhaave in Leiden uit 1872
Het standbeeld van Boerhaave in Leiden uit 1872

Boerhaave kwam stap voor stap tot een nieuwe indeling van het onderwijs in de medische wetenschap. Het ging hem om een aantal zaken. Allereerst was kennis van belang van de structuur van het menselijk lichaam. Daarna was het belangrijk te weten hoe het lichaam werkte: voor een deel was dat mechanisch en voor een deel bestond dat uit de functie van vloeistoffen. Het onderwijs moest ook praktisch gericht worden: meelopen met ervaren artsen en het snijden in lijken. Hij stelde daarbij het nauwkeurig leren observeren voorop. Op basis hiervan moest een diagnose gesteld en dat moest vooral bedachtzaam gebeuren.

Op zich had Boerhaave hiermee niets bedacht dat er al niet eerder was. Hij bracht wel een heldere samenhang aan in wat er al was. Die helderheid kenmerkte ook zijn les geven. Zijn lessen waren systematisch van opbouw en voorzien van vele tot de verbeelding sprekende voorbeelden. Dat was wel nieuw. Als de uitdrukking ‘de studenten hingen aan zijn lippen’ nog niet bestaan had, had het voor de lessen van Boerhaave uitgevonden moeten worden. De wijze van lesgeven door Boerhaave raakte tot ver buiten de landsgrenzen bekend. Het zorgde ook voor een toeloop van buitenlandse studenten aan de toch al vermaarde universiteit van Leiden.

Lucratieve roofdrukken

De grote en toenemende populariteit van Boerhaave kende ook een keerzijde, waar hij zelf overigens niets aan kon doen. Zijn colleges waren zo interessant dat studenten met hun aantekeningen naar een uitgever stapten en boeken lieten verschijnen onder de naam van Boerhaave. Over de inhoud had hij geen enkele zeggenschap gehad. Hij vond de boeken ook onvolledig of vond dat ze  te veel in gingen op de anekdotes waarmee hij zijn les geven verluchtigde. De essentie van wat hij wilde overbrengen ging daardoor verloren, oordeelde hij.

Boerhaave Institutiones

Ook ongeoorloofde vertalingen van werken die hij wel zelf publiceerde kwamen voor. Zo verscheen een Engelse vertaling van zijn Institutes medicae, een handboek theoretische geneeskunde. De naam Boerhaave verkocht nu eenmaal goed, dus roofdrukken waren lucratief.

Inmenging van Willem III

Willem III
Willem III

Hoe razend populair Boerhaave als hoogleraar ook was, het had nog heel wat voeten in de aarde gehad voor hij tot hoogleraar benoemd werd. Het ging in het laatste decennium van de 17e eeuw niet goed aan de universiteit van Leiden. Gekwalificeerde hoogleraren werden niet benoemd omdat Willem III zich in de benoemingen mengde; hij wilde geen katholieke hoogleraren benoemd zien. Willem III zorgde ook voor het benoemen tot hoogleraar van een vertrouweling. Dat was echter lang geen groot wetenschapper. Hij liet zich ook zelden op de universiteit zien, omdat hij ook lijfarts van Willem III was en daar al zijn tijd aan besteedde.

Het aantrekken van gerenommeerde buitenlandse wetenschappers wilde vervolgens ook niet echt vlotten. Zij weigerden de financieel aantrekkelijk aanstelling in Leiden. Bij tijd en wijle lag het onderwijs aan de universiteit helemaal stil. Min of meer ten einde raad werd Boerhaave gevraagd tijdelijk het lesgeven op zich te nemen; niet als hoogleraar, maar als een minder in aanzien staande lector.

Drie hoogleraarschappen

In 1701 werd Boerhaave benoemd tot lector in de theoretische geneeskunde. Veel liet Boerhaave zich niet gelegen liggen aan zijn formele status en de reikwijdte van zijn aanstelling. Binnen de kortste keren verkondigde hij zijn nieuwe inzichten in het onderwijs in de medische wetenschap, die hij ook met veel succes in de praktijk bracht. Pas in 1709 wordt Boerhaave tot hoogleraar in de plantkunde benoemd. Op zich niet een onderwerp dat direct bij Boerhaave paste, maar de universiteit had hem een hoogleraarspost beloofd en deze plek kwam vrij. Vervolgens verdiepte Boerhaave zich wel met grote ijver in de plantkunde. In 1714 werd Boerhaave ook hoogleraar in de praktische geneeskunde, als opvolger van de niet functionerende vertrouweling van Willem III. In 1718 kreeg Boerhaave zijn derde hoogleraarspositie, dit keer in de chemie.

Afstand

In 1729 doet Boerhaave afstand van twee hoogleraarschappen, die in de plantkunde en in de chemie. Vlak daarvoor  was hij  ernstig ziek geweest. Echt kalm aan ging Boerhaave het daardoor echter niet doen. Hij schrijft nog twee dikke delen van een Handboek scheikunde. In de tussentijd bleef hij kampen met zijn gezondheid. Hij had al een keer last van verlammingsverschijnselen gehad.  Later krijgt hij weer last van zijn dij. Het oude litteken barstte open en raakte geïnfecteerd. Telkens knapte hij weer op.

Boek chemie Boerhaave

Boerhaave, ooit bijna een wetenschappelijke carrière misgelopen wegens geldgebrek, was ondertussen een vermogend man geworden. Hij verdiende goed als hoogleraar en vermogen was verder afkomstig van een erfenis die zijn vrouw ten deel gevallen was. Hij kocht het buiten Oud-Poelgeest, waar hij ook een botanische tuin inrichtte.

Ondanks deze lichamelijke tegenslagen was Boerhaave een gevierd wetenschapper geworden, een vraagbaak voor bijna iedere collega en voor student uit binnen- en buitenland. Zijn handboeken vonden gretig aftrek en zijn indeling van de medische wetenschap hield nog tot lang na zijn dood stand.

Hans Buis

bijbel der natuure

Herman Boerhaave redde Jan Swammerdam’s belangrijkste werk, Bybel der Natuure, of Historie der Insecten van de ondergang en daardoor Swammerdam van de vergetelheid. Boerhaave kwam dit werk van Swammerdam in 1727 op het spoor en kocht het voor 2000 gulden (toen een ruim jaarsalaris) en liet het in 1737 publiceren, 57 jaar na Swammerdams dood. Lees meer hierover en over de bijzondere figuur Jan Swammerdam in De onverzettelijkheid van Jan Swammerdam.

portret Ruysch 2

Herman Boerhaave en de bekende Amsterdamse anatomicus Frederik Ruysch waren met elkaar bevriend. Niettemin raakte beide heren verwikkeld in een dispuut over het wel of niet bestaan van klieren in het lichaam. Ruysch was stellig van mening dat klieren niet bestonden; een lichaam had alleen vaten. Hij kon ze niet zien in de door hem zorgvuldig geprepareerde lichamen. Boerhaave was van mening dat door de preparatietechniek van Ruysch ook beschadigingen konden ontstaan, waardoor de klieren niet zichtbaar waren. Het verschil van inzicht werd keurig in brieven die ze over en weer aan elkaar geschreven hadden, vastgelegd en gepubliceerd. Lees alles over de kunstzinnige preparatietechniek van Ruysch in De klapvliezen van Frederik Ruysch.

linnaeus portret

Vanaf 1735 woonde de jonge Zweedse plantkundige Linnaeus drie jaar in Nederland. Hij werd ook geïntroduceerd bij Herman Boerhaave. Deze wilde hem aanvankelijk niet ontvangen. Linnaeus had in een Duitse krant gezegd te corresponderen met Boerhaave, wat niet het geval was. Uiteindelijk kwam het toch tot een ontmoeting en wist Boerhaave het werk van Linnaeus te waarderen. Lees meer over Linnaeus in Een pedante vernieuwer van de plantkunde.

Museum Boerhaave

Museum Boerhaave in Leiden richt zich op de geschiedenis van de natuurkunde en de geneeskunde. Het toont tal van voorwerpen, afbeeldingen en boeken die met deze twee wetenschapsdisciplines te maken hebben. De meeste aandacht gaat uit naar de 17e, 18e en vroeg-twintigste eeuw. Er zijn vaste en wisselende tentoonstellingen. www.rijksmuseumboerhaave.nl

bordje 2e boerhaavestraat

Ooit waren en vier Boerhavenstraten in Amsterdam Oost. De 3e Boerhaavestraat werd omgedoopt in de Ruyschstraat; de 4e Boerhaavestraat werd de Blasiusstraat. Een deel van de 2e Boerhaavestraat werd de Deymanstraat. Nu zijn er nog de 1e en de 2e Boerhaavestraat en het Boerhaaveplein.

Bronnen

  • Luuc Kooijmans, Het orakel. De man die de geneeskunde opnieuw uitvond. Herman Boerhaave 1669 - 1738. Balans, Amsterdam 2011.
  • Luuc Kooijmans, Medisch orakel Boerhaave. Historisch Nieuwsblad nr.6 / 2011

Blasiusstraat — Wetenschapsfraude in de 17e eeuw

De ontdekking van de gang van de oorspeekselklier leidde in de 17e eeuw tot een heftig dispuut wie zich de echte ontdekker ervan mocht noemen. Vast staat dat het de Deense student Niels Stensen was, maar Gerard Blaes, stadsgeneesheer van Amster-dam, probeerde zich de ontdekking toe te eigenen. Een staaltje van wetenschapsfraude door Blaes, beter bekend onder zijn Latijnse naam Blasius, waar de Blasiusstraat naar vernoemd is. 

Blasius (1625 - 1692) was een zeer verdienstelijk geneesheer en ook de eerste hoogleraar geneeskunde van het Athenaeum Illustre, de voorloper van de Universiteit van Amsterdam. Zijn jeugd had Gerard Blasius grotendeels in Kopenhagen doorgebracht. Zijn vader was daar bouwkundige in dienst van de Deense koning Kristian IV. Zoon Gerard begon in Kopenhagen aan een opleiding in de geneeskunde. In 1645 zette hij zijn studie voort in Leiden; eerst in de filosofie, later in de geneeskunde. In Amsterdam werd hij stadsgeneesheer en in 1659 hoogleraar in de geneeskunde. Hij was een veelschrijver; hij publiceerde in totaal 30 boeken, waaronder enkele inleidingen in de geneeskunde.

Heftige twist

Gerardus Leonardus Blasius (1625-1695), arts en hoogleraar 
medicijnen, ca. 1660
Gerardus Leonardus Blasius (1625-1695), arts en hoogleraar medicijnen, ca. 1660

Op zoek naar roem bewandelde Blasius menigmaal vreemde wegen. Zo raakte hij in een heftige twist met Niels Stensen (1638 – 1686) over de ontdekking van een gang die van het oor naar de mond loopt, de gang van de oorspeekselklier. Stensen deed deze ontdekking bij het ontleden van een schapenkop in het huis van Blasius. De jonge Deense student had begin 1660 bij Blasius in Amsterdam onderdak gevonden tijdens zijn studie geneeskunde in Amsterdam. Bij de ontleding van de schapenkop zag Stensen een gangetje dat nog nooit eerder beschreven was. Hij drukte een staafje in de gang en kwam bij de mondholte uit. Stensen liet zijn ontdekking aan Blasius zien, die eerst dacht dat Stensen het gangetje door te hard duwen zelf geforceerd had. Daarna hield Blasius het er op dat het gangetje in deze schapenkop een afwijking moest zijn, door de speling van de natuur ontstaan.

Hondenkop

De 22-jarige Deense student liet zich door Blasius niet van de wijs brengen en ging verder met zijn zoektocht. In het huis van Blasius ontleedde Stensen enkele dagen later ook een hondenkop en stuitte op hetzelfde buisje in het hoofd. Dat leidde tot de terecht aanname dat alle zoogdieren – en dus ook de mens – over een dergelijk gangetje beschikken. Een paar maanden later werd dat inderdaad bevestigd bij de ontleding van een menselijk lijk. Dat gebeurde in Leiden, waar Stensen ondertussen was gaan studeren, omdat hij niet veel nieuws te leren had van Blasius. Zijn Leidse hoogleraar Jan van Horne zag het belang van de ontdekking van Stensen beter in dan Blasius. Hij demonstreerde publiekelijk het bestaan van de klier en noemde dat de ductus Stenonianus, de gang van Stensen.

Eigen ontdekking

De roem van deze ontdekking wilde Blasius zich niet laten ontgaan. Het was immers in zijn huis waar de ontdekking voor het eerst was gedaan en Stensen was tenslotte zijn leerling. Blasius presenteerde de gang van de oorspeekselklier als zijn eigen ontdekking, waarvan hij zei dat hij die gedaan had in een kalfskop; en wel een jaar eerder dan de echte ontdekking door de Deense student. Blasius beschuldigde Stensen van diefstal en betichtte Stensen van “blunders, onbeschoftheid, ondankbaarheid, onwaarachtigheid, oplichting en arrogantie”.

Niels Stensen

Ironisch genoeg waren die kwalificaties vooral op Blasius zelf van toepassing : hij zag niet in welke geweldige ontdekking Stensen gedaan had, eigende zich als nog de ontdekking toe en beschuldigde Stensen van wat hij zelf deed: oplichting.

Beneden zijn waardigheid

De twist over wie de echte ontdekker van de klier was sleepte zich nog enkele jaren voort. Blasius liet een bevriende arts een brief opstellen waarin deze Blasius aanwees als de echte ontdekker van wat hij het speekselkanaal van Blasius noemde. Blasius kon nu reageren op de door hem zelf in het leven geroepen brief, zodat hij als hoogleraar niet rechtstreeks met de student Stensen in debat hoefde te gaan, dat was beneden zijn waardigheid. Uiteindelijk verschijnt de brief en de reactie van Blasius daarop onder de titel Salivalis Blasianus (speekselklier van Blasius); het telt 61 pagina’s. In april het jaar daarop reageert Stensen weer in een brief, waarin hij aantoont dat de beweringen van Blasius over de anatomie van de kalfskop, onjuist zijn. In 1664 dooft het dispuut langzaam uit. En ook al blijft Blasius bij zijn standpunt dat hij de klier als eerste heeft ontdekt, voor anderen staat vast dat deze ontdekking Niels Stensen toe komt.

Stensen liet zich door het gekrakeel met Blasius niet van zijn werk houden. In de jaren dat het dispuut aanhield, ontdekte Stensen het stelsel van lymfeklieren en ook de traanbuis. Uiteindelijk toont hij ook aan dat het hart een doodgewone spier is; een ontdekking die tot veel weerstand leidde. De roem van Stensen steeg almaar naar grotere hoogte, terwijl Blasius nog steeds zijn gelijk wilde halen dat hij de oorspeekselklier ontdekt had.

Gesjoemel

De Observationes
Anatomicae uit 1667
De Observationes Anatomicae uit 1667

Er zijn meer voorbeelden van gesjoemel door Blasius. In 1664 richten enkele vooraanstaande wetenschappers het Collegium Privatum Amstelodamense op. Hierin zitten naast Blasius, ook Jan Swammerdam (meer over deze laatste in De onverzettelijkheid van Jan Swammerdam). Idee achter het genootschap was elkaars onderzoek te bespreken. Afspraak was dat de samenkomsten moesten leiden tot gezamenlijke publicaties. Deze verschenen onder de naam Observationes anatomicae selectiones in 1667 en 1673. (Overigens uitgebracht door de drukker Caspar Commelin; zie voor deze ook Naar welke Commelin is de Commelinstraat genoemd.)

In 1666 echter verschijnt onder de naam van Blasius een publicatie over het ruggenmerg. Zowel het onderzoek, de tekst als de illustratieve tekeningen waren van de hand van Jan Swammerdam en waren besproken in het Collegium. Een andere bekende Amsterdamse wetenschapper, Frederik Ruysch, wilde vanwege Blasius geen lid worden van het wetenschappelijk gezelschap. Ruysch vond dat Blasius "niet schroomde om met andermans veren te pronken."

Klapachtigheyt

Ook aan het krijgen van het hoogleraarschap door Blasius zat een luchtje. In 1657 had Blasius zich ten doel gesteld iets te schrijven over een dispuut tussen twee geleerden. Het lukte hem echter niet een goed artikel te schrijven en riep de hulp in van de in Amsterdam woonachtige Vlaamse geneesheer Van Lamsweerde, die later hoogleraar in Keulen zou worden. Deze schreef een uitvoerig stuk, dat Blasius in 1659 onder zijn eigen naam publiceerde. Mede op basis van deze publicatie werd hij tot hoogleraar benoemd. Van Lamsweerde liet dit niet op zich zitten en schreef een open brief over Blasius' handelwijze en noemde hem een man van "ongeschickte en windachtige klapachtigheyt."

De Blasiusstraat in Amsterdam Oost
De Blasiusstraat in Amsterdam Oost

Dubieus

In de 17e eeuw, de tijd van Blasius, Stensen en Swammerdam, toen door de anatomie van mens en dier veel ontdekkingen werden gedaan, was wel vaker niet goed te bepalen wie zich de eerste ontdekker mocht noemen (zie bijvoorbeeld De onverzettelijkheid van Jan Swammerdam). Maar Gerard Blasius kon op geen enkele ontdekking staat maken. Zijn optreden laat wel zien dat wetenschapsfraude geen verschijnsel is dat alleen in de moderne tijd voorkomt. Voor de gemeenteraad van Amsterdam vormde Blasius' wat dubieuze reputatie in 1884 geen enkel beletsel de Blasiusstraat naar de Amsterdamse geneesheer te noemen.

Hans Buis

naambordje 2 blasiusstraat

Blasius leefde van 1625 tot 1692. Over geboorte- en sterftejaar van Blasius bestaan meerdere versies. 1627 wordt ook wel als zijn geboortejaar genoemd. En als zijn jaar van overlijden wordt ook wel 1683, maar ook 1693 genoemd. Het straatnaambord vermeld 1625 - 1693.

Niels Stensen

Amsterdam kent geen straat vernoemd naar Niels Stensen. In Amsterdam zetelt wel al zo'n 50 jaar de Niels Stensen Stichting, in 2012 omgedoopt tot het Niels Stensen Fellowship. Deze organisatie kent beurzen toe aan jonge, recent gepromoveerde academici voor het opdoen van onderzoekservaring in het buitenland.

Bronnen

  • Luuc Kooijmans, Gevaarlijke kennis. Inzicht en angst in de dagen van Jan Swammerdam. Bohn Stafleu Van Loghum, Houten 2007
  • E.A. Baarsma, J.P. Koopmans, Schandaal in Holland. De onverkwikkelijke prioriteitstrijd tussen Gerard Blasius en Niels Stensen. Nederlands Tijdschrift voor Keel-Neus-Oogheelkunde. 2011. 17e jaargang, nr. 1
  • H.L. Houtzager, Niels Stensen en de Nederlanders. Medisch Contact, nr. 30, jaargang 41, 25 juli 1986
  • G.A. Lindeboom, Het Collegium privatum Amstelodamense (1664 - 1673). Nederlands Tijdschrift voor de Geneeskunde, 1975, nr. 32
  • www.nielsstensenfellowship.nl