Ruyschstraat 2 – Onwetenheijdt, beuzelingen en dwalingen

Als examinator van de vroedvrouwen kreeg Frederik Ruysch van hen veel verhalen te horen over hoe ze bij bevallingen te werk gingen. Ruysch was verbijsterd. Bijgeloof, mythen en onkunde leken een vast bestand-deel van het werk van de vroedvrouwen. “Het is niet te geloven,” zo zei Ruysch over wat hij tijdens het afnemen van examens te horen had gekregen, “hoe grootte onwetenheijdt, welke beuzelingen en hoe vele dwalingen er toen te voorschijn gekomen zijn.” In die tijd waren vroedvrouwen vooral weduwen en oudere vrouwen. Vroedvrouwen – letterlijk ‘wijze vrouwen’ – deden in de 17e eeuw bepaald hun naam geen eer aan.

bevalling 2

Het stadsbestuur van Amsterdam belastte Frederik Ruysch in 1668 met het examineren van de vroedvrouwen. Doel was de kwaliteit van het werk van de vroedvrouwen op te krikken. En dat was hoognodig. Vroedvrouwen hadden een slechte naam. “Inderdaad waren onder hen vele eenvoudige, volkomen ongeletterde ruwe vrouwen, die soms aan de drank verslaafd waren, dronken bij de barende kwamen en, op gewin uit, eerst geld vroegen, vóór ze hun hulp verleenden. Maar er waren ook betere onder”, zo staat in een overzicht van de verloskunde in de 17e en 18e eeuw. Als een bevalling niet goed verliep, werd vooral gekeken naar de vroedvrouwen, die bij elke bevalling aanwezig waren. Alleen bij ingewikkelde bevallingen moest een chirurgijn, dokter of de vroedmeester gealarmeerd worden. Vanaf 1672 was Ruysch de vroedmeester van de stad Amsterdam en uit dien hoofde verzorgde hij ook het onderwijs aan de vroedvrouwen.

Lezen en schrijven

Het stadsbestuur ging voortvarend te werk om snel de kwaliteit van het werk van vroedvrouwen te verhogen. Alle vroedvrouwen, ook al hadden ze al twintig jaar ervaring, moesten examen doen. Zonder examen mocht een vroedvrouw geen bevallingen begeleiden. Voor het examen moesten ze kunnen lezen en schrijven en over anatomische kennis beschikken. De opleiding duurde vier jaar en was niet zonder kosten. Het leergeld bedroeg 38 gulden.

Na de invoering van de nieuwe regels waren er nog 137 vroedvrouwen die actief konden zijn. Ruysch gaf hen lessen in de anatomie en zaken die zich tijdens een bevalling zouden kunnen voordoen. Omdat het Ruysch zelf ontbrak aan praktische kennis, deed hij deze eerst zelf op. Bij ingewikkelde bevallingen nam hij zelf de leiding.

Tot die tijd was er van een gedegen opleiding geen sprake. Veel vroedvrouwen hadden niet meer dan hun eigen ervaring; een opleiding hadden ze nooit gevolgd. Ze leerden het vak van andere vrouwen, die ook geen opleiding genoten hadden. Dat leidde tot de onwetenheijdt en bezeulingen die Frederik Ruysch tegenkwam.

Zelden rustig

Een vroedvrouw mocht maar één bevalling tegelijk doen. Als de bevalling begonnen was, kon de vroedvrouw niet meer weg. Ver van te voren werden vroedvrouwen besproken om er zeker van te zijn dat ze bij de bevalling aanwezig zou zijn. Als de weeën begonnen werd de vroedvrouw gehaald, die ook verplicht was te komen.

Om het bed van een bevallende vrouw was het zelden rustig. Familieleden, bekenden, buren – als ze tenminste vrouw waren - waren in aanzienlijke getallen bij de bevalling aanwezig. Een vroedvrouw moest met deze toeschouwers haar werk doen. Bij toekijken bleef het echter zelden. De vroedvrouwen kregen ongevraagd adviezen wat ze moest doen en laten. Omdat de betaling van hun diensten bestond uit fooien van de aanwezigen konden de vroedvrouwen de adviezen moeilijk in de wind slaan.

vroedvrouw bevalling

Harteloos

Niettemin ging het er bij bevallingen vaak onnodig harteloos aan toe, juist door het optreden van de vroedvrouwen. Zo was het gebruikelijk dat de vroedvrouw een vinger in de anus van de bevallende vrouw stak. Dat was omdat men dacht zo de bevalling op weg te helpen. “Welke kneuzingen, ontstekingen, aambeijen en verstervingen heb ik daardoor wel in die deelen gezien!”, zei Ruysch daarover. Kraamvrouwen mochten vaak ook niets drinken, op last van de vroedvrouw. De blaas zou anders te vol worden en de bevalling in de weg zitten. Bij bevallingen drukten vroedvrouwen ook vaak op de buik van de barende vrouw. Ook dit– zo was de gedachte - was om de bevalling voorspoediger te laten verlopen. Met regelmaat stak de vroedvrouw ook haar handen in de baarmoeder om te zien hoe ver de bevalling al was. Voor de barende vrouwen een onnodige belasting. De nageboorte werd ook door de vroedvrouwen gehaald, terwijl de natuur beter haar werk kon doen. De placenta was voor een vroedvrouw het bewijs dat een bevalling goed was verlopen; hij werd dan ook met trots getoond aan de aanwezigen, voordat de placenta in het haardvuur werd gegooid.

een geslaagde bevalling

Het halen van de nageboorte had ook alles van doen met de wijze van betaling aan de vroedvrouw: de afhankelijkheid van een fooi. Het zal geen verbazing wekken dat vroedvrouwen bij ingewikkelde bevallingen liever achterwege lieten een chirurgijn in te schakelen. Dat zou aantonen dat ze het zelf niet af konden, maar ze konden zeker geen fooi achteraf verwachten.

Uien

Ook de pasgeboren baby’s ontkwamen niet aan het bijgeloof van de vroedvrouwen. Zo kregen baby’s het bloed uit de placenta toegediend. De veronderstelling was dat de pasgeborenen hierdoor sterker werden. Uien werden voor het zelfde doel gebruikt. Opengesneden werden de uien onder de neus van de baby gehouden. Baby’s werden strak ingebakerd; een praktijk die volgens Ruysch niet strookte met de situatie in de baarmoeder. Het hoofd van de pasgeborene werd ook vaak verwarmd, wat leidde tot wonden op het hoofd.

Klomp vlees

Het meest wonderlijke bijgeloof, verspreid door vroedvrouwen, betrof het ter wereld brengen van een ‘zuiger’. Een zuiger was een klomp vlees, dat soms levend ter wereld kwam en dan door de kraamkamer vloog en via de schede het lichaam van de aanwezige vrouwen binnendrong. Het was een hardnekkig verhaal. Een klomp geronnen bloed werd makkelijk voor een zuiger gehouden. De placenta, als deze wat langer na de geboorte uit het lichaam van de kraamvrouw kwam, werd ook al tot een zuiger bestempeld. Het verhaal over de rondvliegende zuigers deed wel de ronde, maar bij navraag bij alle vroedvrouwen die examen kwamen doen bij Ruysch, bleek dat nooit iemand zo’n vliegend schepsel met eigen ogen had gezien.

Het onderwijs aan de vroedvrouwen had uiteindelijk wel effect; de kwaliteit werd beter, al werd het imago van de vroedvrouw er daardoor vreemd genoeg niet beter op. Het aantal vroedvrouwen daalde. In 1712 waren het er nog 110 en rond 1750 nog maar 90. De strenge opleidingseisen – en de flinke stijging van de leskosten (rond 1750 was dat 72 gulden) waren hiervan de oorzaak.

Hans Buis

Frederik Ruysch (1638 - 1731)

Frederik Ruysch deed veel meer dan alleen examens afnemen van vroedvrouwen. Roddel- en achterklap, regelrechte tegenwerking, corruptie; Frederik Ruysch overkwam het allemaal, als hoogleraar belast met het onderwijs aan de praktische beoefenaars van de geneeskunde. Dat hield hem echter niet af van zijn andere werk: het conserveren van lichamen en het zichtbaar maken van vatenstelsels in het lichaam, die hij tot in de perfectie doorvoerde. Lees er alles over in De Klapvliezen van Frederik Ruysch

Bronnen:

  • Luuc Kooijmans, De doodskunstenaar. De anatomische lessen van Frederik Ruysch. Bert Bakker Amsterdam 2004.
  • G.A. Lindeboom, Geschiedenis van de medische wetenschap in Nederland. Fibula-Van Dishoeck, Haarlem 1981.
  • Tom Nieuwenhuis, Vroedmeesters, vroedvrouwen en verloskunde in Amsterdam 1746 – 1805. Het Spinhuis, Amsterdam 1995.
  • Dr H.L. Houtzager, Wat er in de kraam te pas komt. Opstellen over de geschiedenis van de verloskunde in Nederland. Erasmus Publishing, Rotterdam 1993.

Ruyschstraat 1 – De klapvliezen van Frederik Ruysch

Hij weerstond de tijdgeest, maar ook de slangenkuil van de Amsterdamse geneeskundige wereld in de 17e eeuw. Hij legde zich toe op een nieuwe preparatietechniek van het menselijke lichaam. Ook vatenstelsels werden door zijn nieuwe techniek goed zichtbaar, waaronder de klapvliezen: de kleppen in de lymfevaten. Hij gaf hij onderwijs aan chirurgijns (geneesheren) en vroedvrouwen; en hij was hoogleraar anatomie en botanie. Zijn werkzame leven duurde maar liefst 65 jaar. Het gaat over Frederik Ruysch. In alle opzichten een bijzondere persoon waar de Ruyschstraat naar is vernoemd.

Frederik Ruysch (1638 - 1731)
Frederik Ruysch (1638 - 1731)

De tijd waarin Frederik Ruysch leefde, werd nog beheerst door opvattingen over de geneeskunde die eeuwen oud waren. Door nieuwe ontdekkingen over het functioneren van het lichaam werden die aloude geneeskundige opvattingen steeds minder houdbaar. Ze berustten dan ook zelden op bewezen feiten; het waren aannames die dicht bij verzinsel en fabels bleken te liggen. Zo werd de lever als de aanmaker van het bloed gezien. En werd er van uit gegaan dat het menselijk lichaam vochten produceerde die in evenwicht moesten zijn: bloed, slijm, gele gal en zwarte gal.

Preparatietechnieken

Frederik Ruysch was van de bewezen feiten bij uitspraken over het functioneren van het lichaam. Hij ontwikkelde preparatietechnieken van lichaamsdelen en vatenstelsels die in belangrijke mate bijdroegen aan nieuwe kennis; technieken die hij overigens zeer zorgvuldig geheim hield. Zo kon hij bijvoorbeeld het stelsel van lymfevaten zichtbaar maken door het met beleid leeg laten lopen van een vatenstelsel en dat vervolgens zeer behoedzaam inspuiten met een preparaat dat vooral uit warme was bestond. Ruysch kon met deze techniek haarvaten tot in detail zichtbaar maken. Hij wist zijn techniek zo te verfijnen dat het hem lukte aan te tonen dat lymfevaten ook kleppen hadden, waardoor het vocht maar een kant op kon lopen. Deze 'klapvliezen in water- en melkvaten' waren nieuwe ontdekkingen die de aloude geneeskundige opvattingen verder stevig aan het wankelen brachten. Een ontdekking die overigens iets eerder gedaan werd door Jan Swammerdam, die door het inspuiten van warme was de kleppen ook kon laten zien. (zie: De onverzettelijkheid van Jan Swammerdam.)

De anatomische les van dr. Frederik Ruysch.
De anatomische les van dr. Frederik Ruysch.

Door de preparatiemethode van Ruysch bleef een vatenstelsel goed geconserveerd zodat het jaren als onderwijsobject dienst kon doen. Voor die tijd konden vatenstelsels alleen getoond worden bij een anatomie van een lichaam en dan nog was het erg moeilijk om bijvoorbeeld de bloedsomloop te laten zien; dat moest zeer snel gebeuren omdat de vaten

leegliepen. Overigens duurden ontledingen niet langer dan drie dagen; dan was het lijk ernstig vergaan. De anatomische lessen gingen met het uur steeds meer met ondraaglijke stank gepaard. Daarvan is niets te merken op de schilderijen die vaak van de anatomische lessen werden gemaakt. Belangrijk was dat de zogeheten overlieden (bestuursleden) van het chirurgijngilde goed tot hun recht moesten komen. Ruysch voerde veel openbare anatomische lessen uit, die tegen betaling konden worden bijgewoond. De belangstelling was altijd groot; de opbrengst kwam het chirurgijngilde ten goede en niet aan Ruysch zelf.

Van apotheker tot hoogleraar

Ruysch doorliep een bijzondere carrière in de wetenschap. Afkomstig uit een familie van generaties lang sterk verbonden te zijn aan het ambtenarendom van de Republiek der Verenigde Nederlanden, koos hij voor een andere richting: hij werd apotheker in Den Haag. Zijn echte interesse ging echter uit naar de anatomie. Daarom ging hij geneeskunde studeren in Leiden. In 1664 behaalde hij de dokterstitel in de geneeskunde. In 1666 werd hij praelector (voorlezer) van de chirurgijns in Amsterdam. In 1668 volgde de benoeming tot hoogleraar in de anatomie; een titel die hem werd verleend door de stad Amsterdam. Hij was daardoor niet verbonden aan het Athenaeum Illustre, de voorloper van de Universiteit van Amsterdam.

In dat zelfde jaar kreeg hij als stadsvroedmeester van de stad Amsterdam de opdracht het onderwijs in de verloskunde te reorganiseren. In 1685 werd Frederik Ruysch benoemd tot hoogleraar botanie: dit keer wel verbonden aan het Athenaeum Illustre. In die hoedanigheid kreeg hij veel te maken met de Hortus Botanicus. Behalve de officiële functie als lijkschouwer van de stad, had hij ook nog een eigen geneeskundige praktijk.

Kinderhoofd op sterk water gezet door Ruysch.

Maar veel van zijn tijd ging zitten in het steeds maar uitbreiden van zijn verzameling van anatomische preparaten. Ook hier perfectioneerde hij de techniek van het conserveren. Na 34 jaar was naar zijn eigen mening de preparatiemethode vervolmaakt; en dat terwijl al van het begin af aan zijn verzameling zeer werd bewonderd omdat het tentoongestelde in stopflessen er zo levensecht uit zag.

Entreegeld

Frederik Ruysch vroeg ook entreegeld voor mensen die zijn verzameling wilden zien. Behalve geld leverde dat op dat meer 'gewone' mensen de verzameling konden zien. Collega's van Ruysch met vergelijkbare verzamelingen lieten deze vooral zien aan beroemdheden of aan mensen met aanbevelingsbrieven van hoogleraren of aan vooraanstaande politici uit binnen- en buitenland.

Beroemdheden bezochten de verzameling van Ruysch evengoed. Een van de belangrijkste was tsaar Peter de Grote. Twee keer bezocht de tsaar Ruysch. In 1717 kocht Peter de Grote de hele verzameling, inclusief het geheim van de preparatiemethode. Het bedrag dat er mee gemoeid was, was enorm: 30.000 gulden; het jaarsalaris van een hoogleraar, een functie die goed betaald werd, bedroeg in die tijd aan het Athenaeum Illustre 750 tot 1000 gulden per jaar; als prealector verdiende Ruysch nog eens 350 gulden per jaar.

Een chirurgijn aan het werk.
Een chirurgijn aan het werk.

Slangenkuil

Werken in de medische wereld van Amsterdam in de 17e eeuw had veel weg van vertoeven in een slangenkuil. Ruysch werd door het chirurgijngilde als een buitenstaander gezien; doktoren hadden zich niet te bemoeien met het onderricht aan de chirurgijns, was de opvatting. De chirurgijns hadden ook bezwaar tegen de benoeming van Ruysch tot stadsvroedmeester. Die functie werd altijd bekleed door een chirurgijn. Het botste vaak tussen Ruysch en het gilde.

 

In de geneeskundige hiërarchie stonden de doktoren boven aan. Zij hadden een universitaire opleiding, maar bezaten geen praktische vaardigheden. Deze hadden de chirurgijns nu juist wel. Zij verzorgden wonden, deden aderlatingen en verrichtten operaties. De chirurgijns hadden vaak een winkel waar ze hun praktijk uitoefenden, maar waar je ook je haar kon laten knippen en je baard kon laten scheren. Onder aan de hiërarchie stonden de apothekers die op last van de doktoren medicijnen maakten, die door de chirurgijns werden toegediend.

Corruptie

De overlieden (bestuursleden) van het chirurgijngilde hielden zich meer bezig met het verdienen van geld dan het op peil houden van het ambacht. Er was zelfs sprake van regelrechte corruptie, die naar buiten kwam omdat de overlieden openlijk ruzie maakten wie het meeste geld had weten op te strijken. Dat deden ze door veel geld te vragen aan leerlingen die examen moesten doen en geld dat bestemd was voor chirurgijnweduwen zelf te besteden, bijvoorbeeld aan schrans- en zuippartijen. Een deel van de chirurgijns kwam in opstand tegen deze praktijken van de overlieden; en Ruysch stond aan hun kant. Uiteindelijk liet het Amsterdamse stadsbestuur de misstanden onderzoeken. Dat leidde tot een aantal maatregelen. Examengelden werden aan banden gelegd en de weduwen kregen waar ze recht op hadden: een toelage. En Ruysch mocht gaan controleren of de examens streng en rechtvaardig, dus zonder steekpenningen, werden afgenomen.

symbool kapsalon

Chirurgijns - die dus ook vaak kapper waren - hingen aan hun winkel deze rood - wit gestreepte koker. Er zijn nu nog kappers die dit herkenningsteken aan de winkelgevel hebben hangen.

Baanbrekend

Hoewel Ruysch in zijn tijd tegen de heersende opvattingen over de anatomie inging, hield hij zijn hele leven vast aan zijn eigen waarheid. Hij was er van overtuigd dat met zijn nieuwe techniek het ontleden van het lichaam optimaal kon gebeuren. Hij vond zijn techniek ook beter dan andere methoden, zoals het gebruiken van een microscoop zoals Anthoni van Leeuwenhoek deed.

Baanbrekend was het werk van Ruysch zeker. De Leidse wetenschapper Herman Boerhaave ontwikkelde een nieuw fysiologisch model voor zijn lessen aan de universiteit en maakte daarbij dankbaar gebruik van de anatomische ontdekkingen van Ruysch. Niettemin had Boerhaave ook kritiek op de methode van zijn vriend Ruysch. Boerhaave was van mening dat door de preparatietechniek ook beschadigingen aan het vatenstelsel ontstonden. Daardoor was er geen correct beeld hoe het er in het lichaam in werkelijkheid uitzag; iets dat decennia later, met weer nieuw ontwikkelde technieken, ook het geval bleek te zijn.

Hans Buis

boek racha peper

Het leven van Frederik Ruysch was de inspiratiebron voor de roman Vingers van marsepein van Rascha Peper. De roman wordt vanuit het perspectief van een nichtje van Ruysch beschreven; een nichtje dat overigens nooit in werkelijkheid heeft bestaan. Veel aspecten uit het leven van Ruysch passeren de revue: de geheime preparatiemethode, de grote aanloop om de anatomische preparaten te bekijken en het verdwijnen van de geprepareerde penis uit de collectie van Ruysch. De roman speelt zich vooral af in het huis van Ruysch aan de Bloemgracht.

vroedvrouw bevalling

Ruysch, belast met de reorganisatie van het onderwijs aan vroedvrouwen, had duidelijke opvattingen over de kunde van de vroedvrouwen. Zijn gesprekken met de vroedvrouwen gaven hem inzicht in de vele vooroordelen die er bij hen heersten. Maar Ruysch had ook oog voor de grote druk waaronder de vroedvrouwen stonden van al diegenen die bij een bevalling aanwezig waren. Alles over Ruysch en vroedvrouwen in Onwetenheijdt, beuzelingen en dwalingen.

In Sint Petersburgse Kunstkamera zijn de preparaten van Ruysch nog steeds te bewonderen, al zijn niet alle preparaten bewaard gebleven. Alleen wat in vocht was bewaard kon – na de val van de muur – gerestaureerd worden.

Kunstkamera

Bronnen:

  • Luuc Kooijmans, De doodskunstenaar. De anatomische lessen van Frederik Ruysch. Bert Bakker Amsterdam 2004.
  • G.A. Lindeboom, Geschiedenis van de medische wetenschap in Nederland. Fibula-Van Dishoeck, Haarlem 1981
  • R.B.M. Rigter, De nalatenschap van Fredrik Ruysch (1638-1731). Nederlands Tijdschrift voor de Geneeskunde. 1995;139:1989-95
  • Luuc Kooijmans, De versierde anatomie. In: Laurens de Rooy, Verzamelaars van vorm. Vossiuspers UvA, 2009.

Oeterwaterstraat — Napoleon en de limietpalen van Amsterdam

In oktober 1811 bracht Keizer Napoleon een bezoek aan Amsterdam waarbij hij met veel vertoon welkom geheten werd. Bij de stadsgrens van Amsterdam stond de burgemeester klaar met de zilveren sleutels van de stad, die hij aan Napoleon aanbood, op een fluwelen kussentje. Dat gebeurde op de Oetewalerweg, die we tegenwoordig kennen als de Linnaeusstraat. De limietpaal die de grens van de stad aangaf, is op een schilderij die het tafereel vastlegde, duidelijk te zien. Die grenspaal lijkt nog steeds bewonderd te kunnen worden in het Oosterpark. Maar dat is zeker niet de paal van het schilderij.

De intocht van Napoleon, rechts de limietpaal
De intocht van Napoleon, rechts de limietpaal

Waar de overhandiging van de sleutels van de stad aan Napoleon precies gebeurde, lijkt niet helemaal duidelijk. Het schilderij is twee jaar na de intocht van Napoleon gemaakt; volkomen waarheidsgetrouw zal het dus niet zijn. Op de achtergrond is het torentje van het Rechthuis (de rechtbank) van de Watergraafsmeer te zien, dat nog steeds te vinden is op de hoek van de Middenweg en de Ringdijk. De grens van

Amsterdam met het naburige Nieuwer Amstel lag tussen wat we tegenwoordig kennen als de Vrolikstraat en de 3e Oosterparkstraat (zie over de strijd over de grens van deze twee gemeenten: de Grensstraat en de annexaties door Amsterdam). De limietpaal rechts op het schilderij geeft aan dat hier de plek van handeling was. Echter, de overhandiging van de sleutel vond vlakbij het Rechthuis plaats. Op deze plek lag over de Ringdijk een houten brug waar tol werd geheven voor iedereen die Amsterdam in wilde. Napoleon kwam van de Middenweg en kreeg hier de sleutels van de stad overhandigd. Daarna trok hij verder over de landelijke Oetewalerweg – tegenwoordig de Linnaeusstraat - om onder de Muiderpoort naar de Plantage Middenlaan te gaan. Uiteindelijk eindigde de stoet op de Dam.

Derde hoofdstad

Keizer Napoleon kreeg een groots onthaal in wat hij de derde hoofd-stad van zijn rijk noemde; Parijs en Rome waren de andere twee. Kanon-schoten en klokgelui begeleidden het passeren van de Muiderpoort. De stad was feestelijk versierd en op de Dam, tijdelijk omgedoopt tot Place Napoleon, werd de keizer wederom onthaald. Met zijn vrouw Marie Louise overnachtte hij ook in het Paleis op de Dam; zijn verblijf duurde twee weken. Overigens was het keizerlijke paar voorzien van een

Napoleon op de Dam
Napoleon op de Dam

groot gevolg. Voorop Napoleon op een wit paard, gevolgd door militairen te paard, daarna vijf rijtuigen van de keizerin, die zelf in het vierde rijtuig zat, getrokken door acht witte paarden. Daarna weer een groep van 25 grenadiers te paard, gevolgd door drie regimenten; in totaal ging het om 6.000 militairen. Voor de kijkers langs de weg duurde het drie kwartier voor de stoet gepasseerd was.

Den Keizer en Keizerinne

Al weken voor het bezoek werd in de Watergraafsmeer, waar Napoleon met zijn gevolg over de Middenweg zou trekken, de komst van Napoleon op plakkaten aangekondigd. De plakkaten stonden vol met lovende woorden over de buitenlandse heerser over Holland: “Het bestuur van de Watergraafsmeer, kennis genomen hebbende dat de stad Amsterdam eerdaags de onschatbare eer en het geluk zal genieten Hunne Majesteiten Den Keizer en Keizerinne binnen hare muren te ontvangen, haast zich om deze blijde tijding ter kennisse van de Ingezetenen dezer Meer te brengen…” De bewoners van de Watergraafsmeer werden opgeroepen vanuit hun zomerverblijven “deelgenoten te worden van de algemene vreugde, welke tijdens het verblijf van Hoogstgeachtende Hunne Majesteiten, binnen de Stad aldaar zullen plaats hebben …”.

Populaire broer

Lodewijk Napoleon
Lodewijk Napoleon

Opmerkelijk was het grootse welkom dat Napoleon ten deel viel wel. Napoleon had net het jaar daarvoor Holland bij Frankrijk ingelijfd. Daarmee kwam een einde aan het koningschap van zijn jongere broer, Lodewijk Napoleon, die vanaf 1806 koning van Holland was. Broer Lodewijk Napoleon genoot een zekere populariteit onder de bevolking. Dat was allereerst omdat hij kordaat optrad bij rampen, zoals overstromingen in Brabant en het ongeluk met een boot vol met buskruit in Leiden, waarbij 150 doden vielen. Daarnaast was Lodewijk Napoleon een verlichte vorst die voor de belangen van zijn Holland opkwam. De keizerlijke Napoleon vond dat zijn jongere broer daarmee de belangen van Frankrijk te weinig diende en daarom stuurde hij hem in 1810 de laan uit. In

de paar jaar dat het bewind van Lodewijk Napoleon duurde zorgde hij voor een zekere mate van natievorming, vooral door wetten in te voeren die voor het hele land golden. Tot die tijd kende ieder gewest en soms zelfs iedere stad  eigen wetgeving, waardoor er een lappendeken van regels en verordeningen was ontstaan.

Pontificaal

Het schilderij van de intocht van keizer Napoleon was al snel een blijk van het eren van een machthebber die dat niet meer was. In 1813, een paar maanden nadat het schilderij af was, kwam er een einde aan de heerschappij van Napoleon. Nederland werd weer een koninkrijk – wat het tussen 1806 en 1810 ook al was geweest. De oranjes zwaaiden nu de scepter en de Franse tijd gold als een te verfoeien periode. Het schilderij echter, hing nog pontificaal in het Amsterdamse stadhuis aan de Oudezijds Achterburgwal, waar tegenwoordig hotel The Grand gevestigd is. Het kon daar ook moeilijk over het hoofd gezien worden: het was met een afmeting van zes bij vier meter bijzonder groot. Het bleef daar hangen tot 1885, toen het kon verhuizen naar het pas geopende Rijksmuseum. Lang hing het daar niet. In 1891 werd het keurig opgerold en in het depot van het museum gestopt. Daar kwam het in 2011 weer uit; 200 jaar na de intocht van keizer Napoleon. Tegenwoordig hangt het in de Schuttersgalerij van het Amsterdam Museum, de openbare doorgang van het museum waar wel meer schilderijen te bewonderen vallen.

Limietpalen

Ook de limietpaal op het schilderij die de grens van Amsterdam aangaf lijkt een nieuwe bestemming te hebben gekregen. Twee limietpalen, zijn in het Oosterpark terug te vinden. Een bordje vermeldt “Limietpaal (onbekende kunstenaar)”. Deze twee palen hebben vanaf 1947 in de tuin van het Stedelijk Museum gestaan. Vanwege de bouw van de nieuwe vleugel aan het museum verhuisden de palen in 1954 naar de tuin van het sanatorium Beatrixoord. Het sanatorium, dat naast het Koninklijk Instituut voor de Tropen lag, werd in 1976 gesloten. De tuin werd onderdeel van het Oosterpark; de limietpalen bleven staan.

Het zijn echter niet de palen die op het schilderij van de intocht van keizer Napoleon prijken. De twee limietpalen in het Oosterpark zijn ook geen limietpalen, maar banpalen. Deze gaven de grens aan waar bannelingen niet overheen mochten. De bangrens lag vanaf 1544 ongeveer een mijl voorbij de stadsgrens. De banpalen in het Oosterpark deden hun dienst in wat nu de Spaarnwouderdijk heet, in het Westelijk Havengebied. (Lees over de functie van de banpalen meer in: De Grensstraat en de annexaties door Amsterdam.)

De limietpaal in het Oosterpark
De limietpaal in het Oosterpark

Rampspoed

De Oetwalerweg was genoemd naar het dorpje Oetewaal of Houtewaal dat zich ter hoogte van de huidige dierentuin Artis bevond. In geschriften komt de naam van het dorp al in 1387 voor. De kleine nederzetting kende in de loop der eeuwen veel rampspoed. In 1575 werd het door de Spanjaarden platgebrand. In 1651 overspoelde een stormvloed het dorp. Toch wordt Oetewaal telkens weer opgebouwd. In 1658 wordt het gebied bij Amsterdam getrokken.

Oeterwalerweg in 1817, rechts de limietpaal, op de achtergrond het rechthuis
Oeterwalerweg in 1817, rechts de limietpaal, op de achtergrond het rechthuis

De Oetewalerweg wordt pas echt belangrijk als de Watergraafsmeer wordt drooggelegd in 1629. De weg werd toen ook doorgetrokken tot aan de Middenweg. Lange tijd was dit pad, omzoomd met bomen en mooi uitzicht op de omringende weilanden, een aantrekkelijk wandelgebied voor de Amster-dammers. Langs de Oetewalerweg waren uitspanningen om thee of een drankje te drinken. Eén van die uitspanningen was de Room Thuin, een naam die nog voortleeft in de straatnaam Roomtuintjes. Verder

lagen er aan de weg veel buitenhuizen van rijke Amsterdammers. Ze hebben mooie namen, zoals De Eendracht, ’s Lands Welvaren, Meer Lugt en Het Vergenoege. (Lees meer over de buitenhuizen in het verhaal over de Middenweg.)

De groei van de stad aan het einde van de 19e eeuw maakte een einde aan de landelijkheid van de Oetewalerweg (zie: het ontstaan van Oost, in: De ellendigste straten met de edelste namen). Er werden steeds meer huizen langs de weg gebouwd en de weg werd bestraat.

In 1878 werd de Oeterwalerweg omgedoopt in Linnaeusstraat. (zie ook Linnaeus: Een pedante vernieuwer van de plantkunde). In 1915 werd de zijstraat van de Linneausstraat naast het voormalige burgerziekenhuis Oetewalerstraat gedoopt. Daaraan evenwijdig, langs het spoor, ligt het Oetewalerpad, een fietspad.

Hans Buis

bord Oetewalerstraat
bord oetewalerpad

Het Rechthuis van de gemeente Watergraafsmeer dat uit 1777 stamt, bestaat nog steeds. Op dezelfde plek stond er vanaf 17e eeuw ook al een Rechthuis. Behalve rechtgesproken werden in het gebouw ook toneelopvoeringen en concerten gegeven. Na 1921, toen de Watergraafsmeer door Amsterdam werd geannexeerd, werd er geen recht meer gesproken. Daarna had de huidige ABN AMRO het gebouw lange tijd in gebruik. Tegenwoordig is er een restaurant in gevestigd.

rechthuis watergraafsmeer

In 2011 – tweehonderd jaar na het bezoek van Napoleon aan Amsterdam – werd de intocht nog een keer nagespeeld. Wethouder Gehrels stond bij het Rechthuis klaar om opnieuw de sleutels van de stad aan Napoleon te overhandigen. Het schilderij van de intocht werd – helemaal gerestaureerd – ten toon gesteld in de Schuttersgalerij van het Amsterdam Museum.

intocht Napoleon 2011

Bronnen:

  • J.H. Kruizinga, Watergraafsmeer. Eens een parel aan de kroon van Amsterdam. Allert de Lange, Amsterdam 1948
  • Ton Heijdra, Stomweg gelukkig in de Dapperstraat. De geschiedenis van Dapperbuurt, Weesperzijdestrook en Transvaalbuurt. De Milliano Alkmaar 1996
  • R. de Beunje, Napoleon in Nederland – Amsterdam. Stichting Thema Tijdschriften, Amsterdam 2011
  • Judith Amsenga en Geertje Dekkers, Lodewijk Napoleon: de man die van Nederland een Koninkrijk maakte, in Historisch Nieuwsblad nr. 1/2006
  • Fanta Voogd, De vergeten banpaal van Rembrandt. In: Ons Amsterdam nummer 2; februari 2005
  • Het geheugen van Oost, Keizer Napoleon in Amsterdam Oost, www.geheugenvanoost.nl
  • Oneindig Noord-Holland, Keizer Napoleon en de stadssleutels van Amsterdam. www.oneindignoordholland.nl

Middenweg — Over buitenverblijven en een kritische krantenuitgever

De Middenweg is wat de naam al aangeeft: de weg in het midden, in dit geval van de Watergraafsmeer in Amsterdam Oost. De weg is lang en kaarsrecht, het gevolg van de verkaveling die volgde op de inpoldering van wat ooit het Watergraafs- of Diemer Meer heette. Al in de 17e eeuw werd het water land, maar liep daarna nog twee keer onder water. In de 18e eeuw regen de luisterrijke buitenverblijven van rijke Amster-dammers er zich aaneen. Tussen al dat weelderige groen van de Watergraafsmeer speelde zich ook een verbeten politieke strijd af, uitgevochten met drukinkt.

De Slag bij Diemen 1572
De Slag bij Diemen 1572

In 1622 bedacht de advocaat Cornelis Davelaar het plan om het Diemer Meer droog te malen en zo land te winnen. Het meer bracht Amsterdam voor- en nadelen. Het was een goede beschutting tegen vijandelijke aanvallen omdat het meer omvangrijk en diep was. Evengoed was het meer een last: bij slecht weer kon het er zeer onstuimig aan toe gaan en dan bedreigde het water de stad. In 1572 leverden de Geuzen en Spanjaarden een heuse slag op het meer en de Diemerzeedijk, bekend als de Slag bij Diemen.

Aanzienlijke kosten

Davelaar vroeg toestemming aan het bestuur van Amsterdam om zijn plan te mogen uitvoeren. De Vroede Vaderen van de stad eigenden zich echter het plan toe; ze deden dit lucratieve klusje liever zelf. Met het nieuwe land kon aardig wat geld verdiend worden. Er moesten vergunningen worden aangevraagd en de Staten van Holland en West Friesland gaven in 1624 aan Amsterdam het eerste “octrooi” om het meer droog te leggen; andere vergunningen volgden in de jaren daarna. Nadat ook de financiën waren geregeld werd in 1628 aan het grote werk begonnen. De kosten waren voor die tijd aanzienlijk, ze werden geraamd

op 300.000 gulden. In 1629 was het meer drooggemalen. Het nieuwe land had een afmeting van 610 hectare (meer dan 1200 voetbalvelden). De verkaveling van de grond begon in 1631. Hoe de verkaveling er in 1710 is goed te zien in de illustratie.

De belangrijkste weg die dwars door het nieuwe land liep, van het einde van de Oetewalerweg (tegenwoordig de Linnaeusstraat) naar Diemen, werd toen de Middelweg genoemd.

Verkaveling van de Watergraafsmeer in 1710
Verkaveling van de Watergraafsmeer in 1710
Kruislaan

Eén weg kruiste de Middelweg, dat was de Cruysweg, de tegenwoordige Kruislaan. (Lees meer over de geschiedenis van de Oetewalerweg en de Linnaeusstraat in: Oetewalerstraat - Napoleon en de limietpalen van Amsterdam).

Natte voeten

Lang hielden de nieuwkomers in de Watergraafsmeer hun voeten niet droog. De dijk die de nabijgelegen Zuiderzee tegen moest houden, was niet overal even sterk. In 1651 – 32 jaar na de drooglegging dus - brak de zeedijk door bij Oetewaal (waar nu dierentuin Artis te vinden is) en het nog maar pas droge land liep binnen vijf uur weer helemaal onder water. De vierhonderd bewoners van de Watergraafsmeer wisten zich allemaal te redden, maar van hun bezittingen was weinig over.

Een jaar later, in 1652, was het land al weer droog-gemalen en startte de bebouwing van het voormalige meer opnieuw. Deze tweede drooglegging was echter ook weer van korte duur. Na twintig jaar, in 1672,  werd de Watergraafsmeer met opzet onder water gezet om de omrukkende Franse legers tegen te houden.  Lodewijk XIV trok in dit Rampjaar de Republiek der

Lodewijk XIV bij Lobith in 1672, het Rampjaar
Lodewijk XIV bij Lobith in 1672, het Rampjaar

Verenigde Nederlanden binnen en naderde Amsterdam. Het lukte inderdaad de Fransen staande te houden en in 1674 moesten de molens opnieuw malen om het land weer droog te krijgen; dat lukte uiteindelijk in 1678. Het bestuur van de Watergraafsmeer vroeg de gemeente Amsterdam om een bijdrage in de kosten van het droogmalen. Het was immers om Amsterdam tegen de Fransen te beschermen dat de Watergraafsmeer weer onder was gelopen. Het bestuur van Amsterdam wilde hier echter niets van weten; er kwam geen schadevergoeding.

Glorietijd

De Watergraafsmeer in 1719
De Watergraafsmeer in 1719

De 18e eeuw werd voor de Watergraafsmeer een glorietijd. Tal van rijke Amsterdamse kooplieden lieten langs de Middenweg en Kruislaan buitenhuizen bouwen. Ze verbleven daar grote delen van het jaar, vooral in de zomermaanden. Ook al bezaten de kooplieden stadspaleizen aan de grachten, het was er ’s zomers niet uit te houden; de stank was zeker bij warm weer ondragelijk. De grachten waren een open riool en werden verder gebruikt

om het huisvuil in te storten. Het buitenhuis bracht dan uitkomst. Uiteindelijke verrezen er 160 buiten-plaatsen, hofsteden en pleziertuinen; niet alleen langs de Middenweg, maar in de hele Watergraafsmeer.

Franckenthall

Tegenwoordig is er nog maar één van de vele buitenplaatsen over: Huize Frankendael aan de Middenweg 72. Het buiten is rond 1660 gebouwd en had tot 1695 geen naam. Toen kocht Izaak Balde het landgoed en noemde het naar de Duitse plaats Franckenthall waar zijn ouders vanwege hun geloof vanuit Vlaanderen naar toe gevlucht waren. Zoon Izaak kreeg als toevoeging aan zijn naam ‘van Franckendael’. En die naam is op de buitenplaats overgegaan. Izaak Balde verbouwde de buitenplaats aanzienlijk en breidde de tuin ook uit. In de decennia daarna wisselde de buitenplaats nog enkele keren van eigenaar totdat in 1835 de bestemming een grote verandering onderging.

Schommels en wippen

Tussen 1835 en 1866 werd Frankendael opengesteld voor het publiek. Het werd een pleziertuin: er werd thee geschonken, er waren schommels en wippen en in de tuin en het bos achter het huis was het goed toeven voor een middagje uit. Het was de tijd dat meer lusthoven een andere functie kregen. De rijke Amsterdammers maakten niet langer alleen de dienst uit, de gewone Amsterdammer trok ook naar buiten voor een dagje vertier, zoals naar Frankendael.

 

Wat er over is van de hermitage in park Frankendael
Wat er over is van de hermitage in park Frankendael

In de vijver bij Frankendael stond op een klein eiland een huisje – de hermitage genoemd - waar naartoe geroeid kon worden. Deze hermitage is nog steeds te vinden bij Frankendael. In de hermitage was een pop te vinden die een monnik voorstelde. Als er een munt in de pop werd gegooid, wees de arm van de pop naar een kist waarop de woorden “gedenk te sterven” te lezen waren.

Tuinbouwschool

In 1866 ging de buitenplaats over in handen van de Koninklijke Nederlandse Tuinbouw Maatschappij Linnaeus en werd Frankendael een kwekerij en tuinbouwschool. Op de bovenverdieping van Frankendael sliepen de leerlingen. Een van de beroemdste leerlingen is de latere tuinarchitect Leonard Springer die het Oosterpark en het Sarphatipark ontwierp. De toegang tot de buitenplaats werd aanzienlijk beperkt. Op vertoon van een lidmaatschapskaart mocht men op één dag in de week het landgoed op.

De tuinbouwschool bij Frankendael
De tuinbouwschool bij Frankendael

Lang hield de kwekerij en opleidings-school het niet vol. In 1882 sloot Tuinbouw Maatschappij Linnaeus alweer de deuren. De kosten waren te hoog en het aantal leerlingen liep ook nog eens terug. De gemeente Amsterdam kocht het huis, de bij-gebouwen en omliggende grond. Ze vestigde hier de stadskwekerij om de gemeentelijke plantsoenen en parken van groen te voorzien. De stads-kwekerij bleef er tot 1997.

De drukker en het vrije woord

In de 18e eeuw toen de buitenhuizen langs de Middenweg tot bloei kwamen, woedde er ook een heftige strijd tussen patriotten en prinsgezinden die vooral op papier en met drukinkt uitgevochten werd.

De patriotten hingen de denkbeelden van de Franse verlichting aan en de prinsgezinden opteerden voor het huis van Oranje en moesten van de nieuwlichterij uit Frankrijk niets hebben. In deze strijd speelde Hermanus Koning met zijn Diemer- of Watergraaf-Meersche Courant een voorname rol. Aan de kant van de patriotten wel te verstaan.

De Courant verscheen voor het eerst in 1781 en was de opvolger van de Noordhollandsche Courant die in 1778 voor het eerst verschenen was. De Noordhollandsche Courant had succes en kreeg steeds meer lezers. De tegenstand was echter ook groot en uitgever Koning moest zich bij de rechtbank vaak tegen aanklachten verweren. Dat gebeurde in de rechtbank in Hoorn, omdat in die plaats de krant gedrukt werd. Om van dit gedoe af te zijn verplaatste Koning zijn drukkerij naar de Watergraafsmeer, waar hij van de rechtbank gevestigd in het Rechthuis aan de Middenweg, toestemming kreeg voor publicatie van zijn krant.

De Diemer en Watergraafsmeersche Courant
De Diemer en Watergraafsmeersche Courant

Hondsfot

De tegenstand was daarmee echter niet verdwenen. De ‘haat mail’ ging eind 18e eeuw gewoon per brief, maar de inhoud doet modern lasterlijk aan; reaguurders bestonden er kennelijk toen ook al. Eén van de brieven publiceerde Koning in de Diemer- of Watergraaf-Meersche Courant om de “onbezonnenheid” van de briefschrijvers te illustreren. De briefschrijver maakte hem uit voor ‘verdomde schoelje’, ‘landverrader’, ‘schurf’ en ‘hondsfot’; de krant werd letterlijk vervloekt. De redacteur – een dominee – werd beticht van overspel met de vrouw van de koster. Uitgever en redacteur werden uitgemaakt voor ‘schurken’ en ‘verdienen het opgehangen te worden’. Dreigingen waren ook niet van de lucht: “weest op je hoeden, eer gij het weet zal uw huis aan alle vier de hoeken in brand staan”.

Verbod

Het Rechthuis in 1786
Het Rechthuis in 1786

In 1783 werd in de zoveelste rechtszitting de Diemer en Watergraaf-Meersche Courant verboden. Binnen een week begon Koning een nieuwe krant, de Nederlandsche Courant, maar voor publicatie hiervan was nog geen toestemming gegeven. Toen de eerste exemplaren van de persen rolden en vervoerd werden naar Amsterdam, werden paard en wagen staande gehouden en naar het Rechthuis  aan

de Middenweg gebracht. De eigenaar van het paard en de wagen mocht na een paar uur weer gaan; de kranten werden verbeurd verklaard en vernietigd. Zo leek er een definitief einde te zijn gekomen aan de roemruchte Diemer en Watergraaf-Meersche Courant, die tot ver buiten de Watergraafsmeer gelezen werd.

De Oranje-aanhangers ont-vingen het bericht over het verbod met groot gejuich. In spotschriften werd de Cou-rant gehekeld, dat “stinken-de lijk dat zelfs bij zijn Leven de geheele Holland-sche lucht door zijn adem besmet”. Niettemin draaide de gemeenteraad van de Watergraafsmeer het

rouwcourant

besluit tot verbod – onder strikte voorwaarden – weer terug. De Nederlandsche Courant mocht weer verschijnen. Hermanus Koning was echter niet geneigd zijn toon te mastigen. Een artikel met kritiek op het bestuur van Amsterdam leidde de definitieve ondergang in. In 1787 werd ook de Nederlandsche Courant verboden.

Hongerwinter

In de 19e eeuw raken de buitenplaatsen en hun luisterrijke tuinen steeds meer in verval. De economische neergang zorgde er voor dat de buitens verwaarloosd werden en aan het einde van de 19e eeuw rukt de stad ook steeds meer op. Tot die tijd waren de Middelweg en Cruysweg de belangrijkste wegen in de Watergraafsmeer. De straatnamen veranderde toen er iepen en linden langs de twee wegen werden gepland. Een weg voorzien van een rij bomen werd altijd een laan genoemd. Voortaan was het dus de Middellaan en de Kruislaan. Lang duurde de naamsverandering voor de Middellaan niet; het werd al snel Middenweg. De Kruislaan bleef een laan, ook al werden in de hongerwinter 1944/45 alle 800 bomen langs de laan omgehakt om als haardhout te dienen bij gebrek aan andere brandstof nodig tegen de extreme kou.

Hans Buis

Johannes Burman

Eén van de bewoners van een buitenhuis op de hoek van de Middenweg en de Kruislaan was Johannes Burman, hoogleraar botanie en nauw betrokken bij de Amsterdamse Hortus Botanicus, de medicinale plantentuin van de stad. Burman bewoonde de hofstede Midden-Meer en hield daar ook veel zeldzame planten. Lees meer over de rol van Burman bij de Hortus in Rijk, scherpzinnig en beleefd.

De intocht van Napoleon, rechts de limietpaal

In 1811 trok keizer Napoleon met een groot gevolg over de Middenweg naar Amsterdam. Het bestuur van de Watergraafsmeer verwittigde de inwoners van de komst van Napoleon. De bewoners van de Watergraafsmeer werden opgeroepen “deelgenoten te worden van de algemene vreugde” die dit bezoek met zich mee zou brengen. Lees meer over het bezoek van Napoleon aan Amsterdam in Napoleon en de limietpalen van Amsterdam.

SC Voorland

Een aantal namen van buitenplaatsen leeft nog steeds voort in de Watergraafsmeer. De naam van de voetbalclub SC Voorland verwijst naar de buitenplaats met die naam.

Buitenrustpad
Middelhoffstraat
Rusthofstraat
Vrijheit Blijheit Pad

Enkele straten vlakbij het Amstelstation werden in 1947 ook genoemd naar buitenplaatsen: Overzichtweg, IJslandtpad. Rosendaalstraat, Belvedereweg. Rusthofstraat, Starrenboschstraat, Buitenrustpad. Manenburgstraat, Vrijheit Blijheitpad, De Peerelstraat. Swedenrijkpad. Somerlustpad, Middelhoffstraat, Rusthofpad en Zorgwijkstraat.

Frankendael nu

Tegenwoordig doet Frankendael dienst als vergader-, feest- en trouwlocatie en is er een restaurant in gevestigd. dat genoemd is naar één van de laatste bewoners van Frankendael, stadsarchitect Ben Merkelbach. De kas van de voormalige stadskwekerij is ook al in bezit genomen door een restaurant, kortweg De Kas geheten. De Kas en het daartegenover liggende café aan de Middenweg, Elza’s, vormden het decor van de roman Het Diner van Herman Koch.

Bronnen:

  • J.H. Kruizinga, Watergraafsmeer. Eens een parel aan de kroon van Amsterdam. Allert de Lange, Amsterdam 1948
  • J.H. Kruizinga, Frankendael, een hofstede in de hoofdstad, Zaltbommel, 1992
  • J.H. Kruizinga, Hermanus Koning: Zeer gehaat drukker. In: De Speelwagen nr. 4, 1953
  • A. Hendriksen, Watergraafsmeer, binnenzee, polder, lustoord, stadsdeel. Amsterdam 1998
  • David van Zeggeren, Frankendael, een buiten binnen; in: Het verlangen naar buiten: Amsterdam en het ommeland. Erfgoedstudies, studiejaar 2009 – 2010. Universiteit van Amsterdam, Amsterdams Historisch Museum, Staatsbosbeheer, 2010
  • Peter de Brock, De laatste bewoner van het laatste huis. Huize Frankendael: van buitenplaats tot trouwlocatie. In: Ons Amsterdam, maart 2003

Linnaeusstraat — Een pedante vernieuwer van de plantkunde

Hij is net 28 jaar oud als hij uit zijn geboorteland Zweden in de Republiek der Verenigde Nederlanden arriveert; vlak voor zijn 31ste verjaardag is hij al weer vertrokken. In die drie jaren heeft hij zijn naam als plantkundige internationaal stevig gevestigd. Daar is zeker wat hulp van Nederlandse plantkundigen bij komen kijken, maar hij heeft het vooral op eigen kracht gedaan en op zijn eigen wijze: bij het arrogante af. Carl Linnaeus was erg overtuigd van zijn eigen kunnen en sociaal was hij niet altijd even handig. Het zou hem zeer behaagd hebben dat zo’n belangrijke verkeersader in Amsterdam Oost naar hem vernoemd is en dat Nederlandse wetenschappers het met wat onbelangrijkere zijstraten moeten doen.

Carl Linnaeus
Carl Linnaeus

De Zweed Carl Linnaeus (1707 – 1778) kwam naar de Republiek der Verenigde Nederlanden om te promoveren in de medicijnen. Dat deed hij aan de universiteit in Harderwijk, toentertijd voor veel buitenlandse studenten een populaire plaats om te promoveren. De universiteit was ingesteld op snelle promoties en de kosten voor examens lagen ook nog eens laag. Dat laatste zal voor Linnaeus ook een factor van betekenis zijn geweest, want breed had hij het zeker niet; zijn verblijf in de Republiek kon hij eigenlijk niet bekostigen.

Zijn promotie over de malaria, of zoals het toen heette: meerdaagse koortsen, verliep zeer vlot. Op vrijdag kwam hij per boot aan in Harderwijk en op zaterdag deed hij al met goed gevolg examen. Op zondag werd zijn proefschrift goedgekeurd die hij al kant en klaar in zijn koffer had zitten. Het kostte drie dagen om het proefschrift van 24 pagina’s te laten drukken, zodat Linnaeus op donderdag zijn proefschrift in het openbaar kon verdedigen. Dat ging hem prima af, zodat hij zich voortaan dokter in de medicijnen kon noemen. Linnaeus verbleef geen dag te lang in Harderwijk; op vrijdag vertrok hij weer per boot naar Amsterdam. Een kleine week had de hele promotie in beslag genomen en de meeste tijd was nog gaan zitten in het drukken van het proefschrift zelf.

Wetenschappers, boeken en planten

Naast zijn promotie waren er voor Linnaeus nog drie redenen om neer te strijken in de Republiek der Verenigde Nederlanden. Allereerst wilde hij contacten leggen met wetenschappers van naam; daarnaast zocht hij uitgevers voor de werken die hij naast zijn proefschrift al in zijn bagage had meegetorst en als laatste wilde hij nieuwe planten leren kennen. Al deze zaken – wetenschappers, boeken en planten – waren in de Republiek zeer ruim voorhanden. De wetenschappers stonden op een internationaal zeer hoog niveau, drukkers en uitgevers waren er genoeg en bijzondere planten waren er zeker, onder andere in de Hortus Botanicus in Amsterdam. (Lees hierover in Naar welke Commelin is de Commelinstraat genoemd.)

De Hortus bezocht Linnaeus al direct de eerste dag na zijn aankomst in Amsterdam.

Johannes Burman
Johannes Burman

Het was hier dat hij voor het eerste in zijn leven tropische planten zag. In de Hortus ontmoette hij de hoogleraar plantkunde en directeur van de Hortus, Johannes Burman. Ze waren leeftijdgenoten met dezelfde interesses. (Lees meer over Burman in Rijk, scherpzinnig en beleefd.) Burman bood Linnaeus kost en inwoning aan als Linnaeus hem zou helpen met de publicatie over de planten op Ceylon waar Burman mee bezig was. Linnaeus ging graag op dit aanbod in; hij had immers onvoldoende geld om in zijn levensonderhoud te voorzien.

De jonge Linnaeus
De jonge Linnaeus

 Uitermate pedant

Linnaeus ontmoette nog meer wetenschappers van faam. De beroemdste was ongetwijfeld Herman Boerhaave, toen al 66 jaar oud, die hij in Leiden bezocht. Deze ontmoeting kwam aanvankelijk niet makkelijk tot stand. Linnaeus had in een interview met een Hamburgse krant gezegd – toen hij op weg was naar Harderwijk - dat hij correspondeerde met Boerhaave. Dat was niet het geval, wist Boerhaave als geen ander; hij vond deze leugen van Linnaeus niet bepaald netjes. Omdat Linnaeus ook nog eens zonder aanbevelingsbrieven van collega-

wetenschappers op de eerste afspraak kwam, weigerde Boerhaave hem te ontmoeten. Toen het toch van een ontmoeting kwam, was de beroemde Leidenaar niet erg gecharmeerd van Linnaeus. Boerhaave vond hem uitermate pedant. Uiteindelijk kwam het toch nog goed. De ideeën van Linnaeus over de indeling en naamgeving van planten vond Boerhaave zeer beloftevol. Hij ondersteunde Linnaeus in zijn verdere zoektocht naar indeling van de planten. Boerhaave gaf Linnaeus zelfs toegang tot zijn exotische tuin Oud-Poelgeest. Ook hier nam Linnaeus kennis van planten die hij nog nooit eerder gezien had. (lees meer over Herman Boerhaave in Beroemd in de hele wereld.)

Meeldraden

De indeling van planten die Linnaeus voor ogen stond, ging niet uit van de uitvoerige beschrijving van een plant die tot dan toe gangbaar was. Zonder naar het uiterlijk van de plant te kijken, deelde Linnaeus ze in op grond van de voortplantingsorganen: het aantal meeldraden bepaalde tot welke groep een plant behoorde. Dat was een stuk eenvoudiger en overzichtelijker dan zoals het tot dan toe ging: de uiterlijke beschrijving van achtereenvolgens wortel, stengel, bladeren, bloeiwijze, bloem en vrucht. Er waren daardoor zoveel kenmerken van een plant dat een logische indeling van planten niet meer haalbaar was; er waren te veel overlappingen.

Overzicht van meeldraden van Linnaeus
Overzicht van meeldraden van Linnaeus

De naamgeving die Linnaeus voorstond, baseerde hij op een al even eenvoudig principe. Meer dan twee namen hoefde een plant niet te hebben, vond Linnaeus. De eerste naam verwees naar de groep en de tweede benaming duidde de individuele naam van de plant aan. Plantennamen werden daardoor veel korter. Tot dan toe was de naam van een plant vooral een beschrijving, zodat een naam makkelijk uit zes, acht of wel tien woorden kon bestaan.

Zonder tegenspraak bleef de indeling van Linnaeus niet; ook de naamgeving kon niet bij iedere plantkundige op bijval rekenen. In Engeland waren critici en sceptici die vonden dat Linnaeus de plantkunde volledig en onnodig op zijn kop zette. De indeling naar het aantal meeldraden werd als onwijs afgewezen. Ook een flink aantal wetenschappers in Frankrijk stond kritisch tegenover de ideeën van Linnaeus.

Methodus sexualis

Systema naturae van Linnaeus
Systema naturae van Linnaeus

De tweede reden voor Linnaeus om naar de Republiek te komen, verliep zeer voorspoedig: in korte tijd werden veel publicaties van Linnaeus gedrukt. Veel manuscripten had hij in Zweden al geschreven, zodat het er nu op aankwam een uitgever te vinden. Daarbij kwam hulp van Nederlandse plantkundigen zeer goed van pas. Het was vooral de Leidse plantkundige Johan FrederikGronovius die hem daarin bijstond. Gronovius beschikte over planten uit Noord Amerika, waarover hij publiceerde in zijn Flora Virginica. Voor Linnaeus was dit weer een bron voor zijn studie naar de indeling van planten. Zijn ideeën over de systematische indeling van planten kreeg Linnaeus met financiële hulp van

Gronovius, nog in 1735 gepubliceerd: de Systema naturae. In 1736 zag zijn Fundamenta botanica het licht en in 1737 kwamen twee boeken uit waarin Linnaeus de methode van indeling op basis van meeldraden uit de doeken deed: Methodus sexualis en Genera plantarum. In sneltreinvaart werd met deze vier publicaties de naam van Linnaeus internationaal bekend.

Bij veel van deze werken trad Gronovius op als raadgever en redacteur – het Latijn van Linnaeus behoefde hier en daar wel wat verbeteringen. Gronovius raadde Linnaeus ook af niet al te betweterig te doen als hij fouten in het werk van anderen beschreef. Gronovius doordrong Linnaeus ook van het belang aan wie het eerste exemplaar van een publicatie werd aangeboden. Het lag voor de hand dat dit Boerhaave moest zijn. Om een Engelse criticus van zijn systeem voor hem te winnen, schroomde Linnaeus niet een publicatie aan deze persoon op te dragen. Hij deed dat echter zonder vooraf om toestemming te vragen. De Engelsman was not amused en niet gediend van deze doorzichtige vleierij. Door zijn onhandige optreden was Linnaeus zijn doel voorbij geschoten.

Afgeslagen

Tot tweemaal toe kreeg Linnaeus van Boerhaave het aanbod voor een verre buitenlandse reis, die hem de mogelijkheid zou geven bijzondere planten te bestuderen. Het aanbod om mee te varen op een schip naar Kaap de Goede Hoop in Zuid-Afrika sloeg Linnaeus af omdat hij het in dat land te heet zou vinden. Ook het aanbod om arts te worden in de kolonie Suriname sloeg hij af. Boerhaave had hem voorgehouden dat de vorige arts er goed had verdiend en de planten in Suriname waren natuurlijk ook aanlokkelijk voor een plantkundige. Het afslaan van dit aanbod was een goede keuze van Linnaeus. Op verzoek van Boerhaave stelde hij namelijk wel een andere kandidaat voor, die wel ging. Binnen een half jaar stierf hij – zoals zo velen - aan een van de talrijke ziekten waartegen Europeanen niet opgewassen waren.

Rijke bankier

De Amsterdamse bankier George Clifford
De Amsterdamse bankier George Clifford

De steun die Linnaeus aan Burman had beloofd bij het schrijven van Burman’s boek over de planten op Ceylon, was van korte duur. Dit tot grote verbijstering van Burman. Wat was het geval? Via Burman was Linnaeus in contact gekomen met George Clifford, een rijke Amsterdamse bankier, die ook over een bijzondere exotische tuin beschikte, de Hartekamp bij Heemstede. Clifford was een hypochonder en wilde daarom liefst altijd een arts voorhanden hebben. Linnaeus werd zijn lijfarts en ging op de Hartekamp wonen. Dat wil zeggen: in de zomer; ’s winters verbleef Linnaeus in het huis van Clifford op de Herengracht.

Veel werk als arts had hij niet en daarom kon hij veel tijd besteden aan het bestuderen van de

bijzondere planten in het buiten van Clifford. Ook de uitgebreide bibliotheek liet hij niet ongemoeid. Linnaeus kon gratis wonen, eten en drinken; daarnaast kreeg hij nog het niet onaanzienlijke jaarsalaris van duizend gulden. Voor het eerst was Linnaeus verlost van zijn armoede. En had hij ook nog eens de vrije hand op de Hartekamp. Hij kon naar eigen inzicht planten en boeken kopen op kosten van zijn weldoener.

Bruid 

Toch raakte Linnaeus na verloop van tijd uitgekeken op de Hartekamp; in de herfst van 1737 vertrok hij daar, tot teleurstelling van zijn weldoener Clifford. Hij wilde weer terug naar Zweden, waar zijn bruid op hem wachtte. Linnaeus liet zich echter door vrienden overhalen nog een winter in de Republiek der Verenigde Nederlanden te blijven. Hij bracht de meeste tijd door in Leiden. Als inmiddels gevierd wetenschapper had hij veel ontmoetingen met andere wetenschappers. De voertaal was daarbij altijd Latijn, want het Nederlands is Linnaeus nooit machtig geworden. In mei 1738 keerde Linnaeus definitief terug naar Zweden. In Uppsala werd hij hoogleraar in de medicijnen en de plantkunde. Zijn driejarig verblijf in de Republiek had zijn wetenschappelijke carrière een enorme stimulans gegeven. Als arme student was hij gekomen; hij vertrok als wetenschapper met statuur. Voor zijn verdere ontwikkeling had hij de wetenschappers, uitgevers en planten die de Republiek rijk was, niet meer nodig.

Hans Buis

Het Oeterwalerpad
Het Oeterwalerpad

De Linnaeusstraat heette vroeger de Oetewalerweg. Napoleon kwam in 1811 hier met een groot gevolg de stad Amsterdam binnen; over deze intocht meer in: Oeterwalerstraat -- Napoleon en de limietpalen van Amsterdam. Er is nog steeds een Oetewalerpad en een Oetewalerstraat. Genoemd naar het gehucht Oetewaal of Houtewaal dat zich ongeveer moet hebben bevonden waar nu dierentuin Artis is.

linnaeus boekhandel

In en om de Linnaeusstraat zijn veel zaken getooid met de naam Linnaeus. Zo is er een Linnaeusschool in de 3e Oosterparkstraat. In de Linnaeusstraat zelf is de Linnaeusapotheek gevestigd. Waar de Linnaeusstraat al overgegaan is in de Middenweg is de Linnaeus Boekhandel te vinden. Nog iets verder naar het zuiden is de Linnaeushof, de Linnaeusdwarsstraat en het Linnaeuspad. Evenwijdig aan de Middenweg loopt de Linnaeusparkweg.

Bronnen:

  • Luuc Kooijmans, Het orakel. De man die de geneeskunde opnieuw uitvond. Herman Boerhaave 1669 - 1738. Balans, Amsterdam 2011
  • D.O. Wijnands, E.J.A. Zevenhuizen, J. Heniger, Een sieraad voor de stad. De Amsterdamse hortus Botanicus 1638 - 1993. Amsterdam University Press. Amsterdam 1994
  • Pascal Duris, Linnaeus. De ordening van plant en dier. Natuur & Techniek. Amsterdam 2007

De ellendigste straten met de edelste namen

Bijna iedere straatnaam in de Oosterparkbuurt verwijst naar beroemde weten-schappers uit een glorieus verleden. Glorieus kon de aanblik van de buurt echter zelfs na de oplevering van de huizen niet genoemd worden. In zeer korte tijd werd Oost eind 19e eeuw volgebouwd, terwijl de kwali-teit van de huizen veel te wensen overliet. Later werd met afgrijzen naar deze periode gekeken. Zo verzuchtte de Amsterdamse architect Ingwersen: “…. men bouwt namelijk de ellendigste straten, maar geeft ze de edelste namen.” Maar waarom zijn al die huizen gebouwd – en ook nog eens in een rap tempo? De stadsuitbreiding was een kenmerk van wat vaak de tweede Gouden Eeuw van Amsterdam wordt genoemd.

De meeste woningen in de Oosterparkbuurt en de Dapperbuurt zijn ongeveer tussen 1880 en 1900 gebouwd. Waar straten ontstonden waren voorheen weilanden en moestuinen, doorkruist door heel veel sloten voor de afwatering. Binnen enkele decennia zag het landschap er heel anders uit. Het begon met bierbrouwerijen; die vestigden zich al halverwege de 19e eeuw langs een brede strook langs de Amstel. Ondernemingen met namen die we nu nog kennen, zoals Amstel en Heineken. De komst van een spoorlijn naar Utrecht in 1843, die goeddeels over de huidige Wibautstraat liep, droeg bij aan de komst van de brouwerijen.Aan het einde van de 19e eeuw zijn het vooral woningen en straten die gloednieuw staan te pronken. Deze ontwikkeling beperkte zich niet tot Oost. Amsterdam groeide enorm. Dat is opmerkelijk, want in de twee eeuwen na de Gouden Eeuw, toen Amsterdam zijn grachtengordel kreeg, was er van groei geen sprake geweest. Hoe is deze plotselinge, grootse expansie te verklaren?

Inwoners Amsterdam 1795 - 1900
Inwoners Amsterdam 1795 - 1900

Ongekende groei

De inwonersaantallen van Amsterdam in de 19e eeuw spreken voor zich. In 1795, toen de Fransen over  Nederland heersten, telde Amsterdam ongeveer 220.000 inwoners. Als de Franse bezetters in 1813 verdreven zijn en het Koninkrijk Nederland het licht ziet, waren er zelfs nog minder Amsterdammers, het zijn er dan niet meer dan 190.000. Pas rond 1850 wordt het oude niveau van einde 18e eeuw weer bereikt. En daarna gaat het hard. In vijftig jaar tijd verdubbeld het inwoneraantal met gemak, van 224.000 naar meer dan 510.000 in 1900. De grootste groei vindt aan het einde van de eeuw plaats: er komen in 20 jaar 200.000 Amsterdammers bij. Een tot dan ongekende groei.

Natuurlijk komt de stad daardoor voor enorme problemen te staan. Waar moeten al die mensen onderdak vinden? De antwoorden daarop zijn tot vandaag de dag terug te vinden in bijvoorbeeld Amsterdam Oost. Hoe het er uit ziet, waar de straten lopen, welke huizen er staan, is toen bedacht – als is hier de term ‘ontstaan’ meer van toepassing. Maar aan die ontwikkeling gaat nog een vraag vooraf: waarom was er een grote trek naar de stad Amsterdam?

Economische voorspoed

 

Noordzeekanaal, kaart uit 1876
Noordzeekanaal, kaart uit 1876

Vanaf 1850 gaat het economisch stukken beter met Amsterdam. Daarvoor zijn vijf belangrijke redenen te noemen. Amsterdam lag nog steeds aan open zee, maar de tocht over de Zuiderzee (het tegen-woordige IJsselmeer) was lang en de haven slibde

iedere dag weer wat meer dicht. Het graven van het Noordzeekanaal – in 1872 voltooid - bracht daar verandering in. De vaartijd werd niet alleen korter, de bereikbaarheid werd ook vergroot: grotere schepen konden Amsterdam aandoen. De haven zelf werd ook vernieuwd en later meer naar het oosten verplaatst waar nu het Java-eiland en KNSM-eiland zich bevinden. Hier hadden schepen geen last van het slib en afval dat de Amstel met zich meevoerde, die de oude haven zo deed verzanden. Aan deze oostkant van de stad komt aan het einde van de eeuw ook een directe waterverbinding met Duitsland. Zo kon Amsterdam nog beter profiteren van de industrialisatie in Duitsland.

Dat gebeurde eerder ook al door het aanleggen van spoorverbindingen. Amsterdam kreeg een verbinding met het Duitsland – in 1856 - en ook met Rotterdam – in 1847. Het geld voor de noodzakelijke investeringen in de spoorwegen was afkomstig uit de Nederlandse kolonie Nederlands Indië. Daar werd in 1830 een andere manier van belastingheffing ingevoerd, het cultuurstelsel; dat leverde veel geld op.

De ontdekking van diamanten in Zuid-Afrika droeg ook bij aan de economische bedrijvigheid in Amsterdam. De diamantindustrie veerde hierdoor op. Weliswaar later dan in andere landen begon daarnaast de industrialisatie in Nederland – en dus ook in Amsterdam – vorm te krijgen.

Terwijl deze ontwikkelingen zich voordeden werd er ook flink geïnvesteerd in spoorverbindingen. Spoorlijnen en stations waren

Diamandmijn in Zuid-Afrika
Diamandmijn in Zuid-Afrika

aanvankelijk in handen van particuliere bedrijven, die elkaar beconcurreerden waardoor er geen algemeen plan werd gevolgd waar spoorlijnen het beste konden lopen. In Oost is het de Rhijnspoorwegmaatschappij geweest die zijn stempel op de ruimtelijke ordening heeft gedrukt, ook al is van de spoorlijn en het Weesperpoortstation tegenwoordig niets meer terug te vinden. Behalve dan de naamgeving van het plein waar ooit het station stond: Rhijnspoorplein tussen Wibaustraat en Weesperstraat. Dat dit station en spoor er niet meer is, komt door het ingrijpen van de nationale overheid. De liberaal bij uitstek, premier Thorbecke legde in 1860 op dat spoorlijnen staatsbezit moeten zijn en kwam met een algeheel plan voor de ontsluiting van steden door spoorverbindingen aan te leggen.

Waar komt het Centraal Station?

Het nieuwe Centraal Station Amsterdam
Het nieuwe Centraal Station Amsterdam

Amsterdam lag met Thorbecke ernstig overhoop over de plaats van het nog te vestigen Centraal Station. Zonder dwingend ingrijpen van Thorbecke was het Centraal Station niet op de plek gekomen waar het nu ligt, namelijk op kunstmatige eilanden in het IJ waar ooit de haven van Amsterdam voor voorspoed in de Gouden Eeuw had gezorgd. Menig Amsterdammer heeft zijn

leedwezen uitgesproken over deze keuze. De stad werd hierdoor afgesneden van het IJ. Andere meningen zijn er ook. De discussie over de plek van het station ging om wie er de macht had en niet zozeer waar het station nu moest komen. In het koninkrijk Nederland van na 1848 had Amsterdam wel wat te vertellen, maar niet zoveel als de Amsterdammers zelf graag geloofden. Amsterdam had veel van zijn macht verloren.

Trek naar de stad

Noordzeekanaal, spoorverbindingen, geld uit Nederlands Indië, diamantvondsten in Zuid-Afrika en industrialisatie zorgden voor economisch goede tijden, meer bedrijvigheid en vraag naar arbeidskrachten. De trek naar Amsterdam had als drijfveer de relatief grotere armoede in het noorden, oosten en zuiden van het land; en die trek was de stad zeer welkom. Zoals het vaker gaat met groei van steden, zorgt de groei zelf voor verdere groei. De nieuwe bewoners geven – ook al is het bescheiden – geld uit. Ze moeten eten, drinken en wonen. De middenstand groeit daarom ook: de kaasboer, de bakker, de slager, de bierbrouwer en gaat gelijk op met de groei van kleine toeleveringsbedrijven voor de industrie, de timmerman, glasblazer, metselaar, loodgieter, scheepsverladers, loodsen, sjouwers.

Het was zonneklaar dat de toename van de bevolking niet binnen de aloude stadswallen kon plaats vinden. Sterker nog de muren om de stad die langs de Singelgracht liepen, waren een sta-in-de-weg. Ze werden dan ook afgebroken. In Oost is de Muiderpoort het laatste restant van de stadsmuur. Hier gingen eeuwen lang mensen in en uit en werd de toegang tot de stad ‘s avonds afgesloten. De poort ging dicht en de brug werd opgehaald. Dat paste niet langer in de moderne 19e eeuw. Waar lange tijd groenten werden verbouwd voor de stadsbewoners en waar koeien graasden in de wei, ontstonden in recordtempo nieuwe woonwijken.

De afwezige gemeente

Vanaf 1880 krijgen de Dapperbuurt en de Oosterparkbuurt in snel tempo vorm. De gemeente speelde hierbij nauwelijks een rol. De woningbouw en stadsuitbreiding was een aangelegenheid van particulieren investeerders; woningbouwcorporaties deden pas later hun intrede. Planning van wegen, straten en huizenblokken was ver te zoeken. Regels en richtlijnen waren er nauwelijks, kwaliteit deed

Vrolikstraat eind 19e eeuw
Vrolikstraat eind 19e eeuw

er niet toe – niet van de woningen zelf en niet van het straatbeeld en de omgeving. De nauwe straten, het weinige groen, de eentonigheid van de straten, de slechte kwaliteit van de woningen – zijn allemaal te danken aan de afwezigheid van de gemeentelijke overheid. Hoe meer en hoe sneller er gebouwd kon worden des te meer was het voor de particuliere eigenaren winstgevend. Aan woningzoekenden geen gebrek, de stad groeide immers tegen de klippen op.

Hans Buis

instorten muiderpoort

In 1660 werd, tegelijk met de stadsmuur, de Muiderpoort gebouwd. Erg stevig bleek die niet te zijn; de poort stond niet goed op zijn fundament. Het gevolg was dat in 1769 de poort met donderend geraas instortte. De Muiderpoort werd meteen herbouwd. De muren dit keer nog wat dikker dan voorheen. Nu is de Muiderpoort een van de weinige Amsterdamse openbare gebouwen uit de 18e eeuw.

Bordje Grensstraat klein

De Oosterparkbuurt en de Dapperbuurt waren al snel volgebouwd. Amsterdam stuitte op haar eigen stadsgrenzen en wilde maar wat graag aanpalende gemeenten inlijven. Lees hier meer over in De Grensstraat en de annexaties door Amsterdam.

Stadsarchief logo

Het Stadsacrhief Amsterdam heeft een animatie gemaakt van de groei van Amsterdam tussen 1800 en 1900. Het verrijzen van Rijksmuseum, Concertgebouw en het Centraal Station zijn goed te zien. Aan het einde van de korte video-animatie is ook het ontstaan van de 19e eeuwse wijke te zien. De animatie is te zien door hier te klikken.

De Grensstraat en de annexaties door Amsterdam

Tussen de Wibautstraat en de Weesperzijde ligt de Grensstraat. De naam van deze straat is niet toevallig, want ooit lag hier de grens tussen Amsterdam en buurgemeente Nieuwer-Amstel, tegenwoordig beter bekend als Amstelveen. Een deel van Oost hoorde tot 1896 niet tot het Amsterdamse grondgebied – grote delen van De Pijp, Kinkerbuurt en Amsterdam-Zuid trouwens ook niet. In de 19e eeuw wilde Amsterdam er graag veel grondgebied bij krijgen om woningen te kunnen bouwen of om – zoals het stadsbestuur zelf beweerde - wantoestanden rond woningbouw in buurgemeenten te voorkomen. Die stadsuitbreiding ging echter niet altijd even makkelijk.

De grenzen van de gemeente Nieuwer Amstel zoals die tot 1896 bestonden.
De grenzen van de gemeente Nieuwer Amstel zoals die tot 1896 bestonden.

Door de eeuwen heen heeft Amsterdam altijd delen van andere gemeenten of soms zelfs hele gemeenten ingelijfd. Dat werden stadswijken waar nu niemand meer weet dat de wijk ooit een zelfstandige gemeente is geweest. Eeuwenlang was er vooral een strijd tussen Amsterdam en het aanpalende Nieuwer-Amstel. De annexaties begonnen al snel na het ontstaan van Amsterdam. In 1278 was het ambacht Aemstelle (Amstelland) ontstaan. (Een ambacht was een bestuurlijk, rechtelijk en waterstaatkundig gebied.) Rond 1300 scheidde Amsterdam zich daarvan af, toen het stadsrechten had gekregen. Het ambacht Nieuwer-Amstel splitste zich ook af van Aemstelle en zou nog lang een bestuurlijke

tegenspeler van Amsterdam blijven. In 1342 en 1387 lijfde Amsterdam een deel van Nieuwer-Amstel in. In 1489 volgde een nieuwe uitbreiding met het buurtschap Oetewaal, dat lag waar nu dierentuin Artis te vinden is (zie ook:  Napoleon en de limietpalen van Amsterdam).

Ban- en vangrecht

In de 14e eeuw werden limietpalen en banpalen opgericht om de grens van Amsterdam zichtbaar te maken. Limietpalen gaven de grens van de stad aan. Die grens lag 100 roeden (ongeveer 375 meter) buiten de stadsmuren. De banpalen hadden te maken met het zogeheten ban- en vangrecht. Binnen de bangrens, dus nog buiten de stadsmuren, had Amsterdam het recht verdachten op te pakken (vangrecht) en veroordeelden tot buiten dit gebied te verbannen (banrecht). De bangrens lag zo’n vier kilometer buiten de stadsmuren; om precies te zijn 1000 roeden gerekend vanaf de stadsgrens die 100 roeden vanaf de stadsomwalling lag. Vanaf 1544 werd de bangrens vastgesteld op één mijl – zo’n 7,5 kilometer - buiten de stadsgrens. Banpalen werden daarna vaak mijlpalen genoemd.

Knellende grenzen

Gemeentewet 1851 Thiorbecke

Vanaf het einde van de 17e eeuw vond er geen noemenswaardige stadsuitbreiding van Amsterdam meer plaats. In 1795 krijgen de gebieden rond Amsterdam ook een gemeentebestuur. In 1821 werden de grenzen tussen de verschillende gemeenten exact vastgelegd en die volgden redelijk de grens die de limietpalen aanhielden. De grens van Amsterdam lag dus nog steeds niet ver van de stadswal, zeg maar de huidige Singelgracht. Die situatie zou tot het einde van de 19e eeuw voortduren toen Amsterdam begon aan zijn tweede Gouden Eeuw en de stad explosief groeide. (Wat dit inhield is terug te vinden in Het ontstaan van Oost: De ellendigste straten met de edelste namen).

Bij die uitbreiding van Amsterdam naar het zuiden werd de grens met andere gemeenten als knellend en een sta-in-de-weg ervaren. Door de

Gemeentewet van 1851 waren alle gemeenten in Nederland aan elkaar gelijkgesteld. Amsterdam kon haar macht als stad niet langer doen gelden buiten de gemeentegrens. Annexatie van grondgebied was de logische stap om aan verdere stadsuitbreiding te doen.

Ring

In het landelijke gebied aan de zuidrand lag, als een ring om Amsterdam heen, de gemeente Nieuwer-Amstel. Het stuk Nieuwer-Amstel in Oost was niet meer dan een smalle strook land, de Overamstel polder.

Kaart 2 19e deel eeuwse annexaties

De grens liep ten zuiden van het Oosterpark, langs de tegenwoordige Vrolikstraat en – jawel – de Grensstraat. Iets naar het zuiden hield Nieuwer-Amstel bij de Ringvaart al weer op. Daar lag de grens met de gemeente Watergraafsmeer. In het verlengde van de Grensstraat, liep de grens aan de andere kant van de Amstel verder door wat we tegenwoordig kennen als De Pijp, even ten zuiden van het Sarphatipark (de Binnendijksche en Buitenveldersche polder). Het Roelof Hartplein, het Concertgebouw en grote delen van het Vondelpark lagen op het grondgebied van Nieuwer-Amstel. In het westen strekte de gemeente zich uit tot aan de Korstverlorenvaart. Veel meer naar het zuiden lag de eigenlijke kern van Nieuwer Amstel: Amstelveen.

Argusogen

Amsteldijk 1813, naar het zuiden gezien.
Amsteldijk 1813, naar het zuiden gezien.

Het gebied buiten de stadswallen was lange tijd zeer landelijk (links de Amsteldijk in 1813 op het grondgebied van Nieuwer-Amstel), maar werd eind 19e eeuw in snel tempo volgebouwd. Dat gebeurde zowel aan de Amsterdamse als aan de Nieuwer-Amstel kant van de grens. Amsterdam keek met argusogen naar de bouwactiviteiten aan de andere kant van de grens. In deze tijden van liberalisme bemoeide het Amsterdamse

gemeentebestuur zich maar mondjesmaat met het sturen van de stadsuitbreiding, maar Nieuwer-Amstel deed hoegenaamd nog minder. Het ophogen van straten om ze boven polderniveau te brengen, gebeurde in Amsterdam vanaf 1873 altijd. In Nieuwer-Amstel was dit niet steevast het geval. Het op polderniveau brengen was nodig omdat anders het water niet goed kon weglopen; de nieuwe wijken zouden anders onder water komen te staan. Riolering werd in Nieuwer-Amstel ook niet altijd aangelegd. Afvalwater werd in sloten geloosd waardoor ze vervuild raakten. Gevallen van cholera werden aan de vervuiling van sloten toegeschreven.

Gebrek aan kennis

Nieuwer-Amstel was ook minder sturend omdat de gemeente daar vanwege de geringe omvang niet toe in staat was. De gemeente had niet veel geld en het ambtenarenapparaat ontbeerde de technische kennis die nodig is om bijvoorbeeld wegen en riolering aan te leggen of te controleren of een aannemer, die dit namens de

Ophoging van de Alexander Boersstraat door de gemeente Nieuwer-Amstel. De straat is genoemd naar een burgemeester van Nieuwer-Amstel.

gemeente uitvoerde, dit wel naar behoren deed. (Op de foto: de ophoging van de Alexander Boersstraat vlak bij het Concertgebouw, door gemeente Nieuwer-Amstel. De straat is genoemd naar een burgemeester van Nieuwer-Amstel). Amsterdam was ook bang dat er door de gebrekkige controle krotwoningen zouden ontstaan, net over de grens van de stad.

Voor Amsterdam waren dit redenen om grote delen van Nieuwer-Amstel te willen inlijven. Het zou de gezondheid ten goede komen. Maar Amsterdam duldde ook geen alsmaar groeiende stad zo vlak over de grens, waarvan de bewoners wel profiteerden van de stad, maar er geen belasting betaalden. Nieuwer-Amstel had halverwege de tweede helft van de 19e eeuw ongeveer 24.000 inwoners die vooral net buiten de grens met Amsterdam woonden. Amsterdam was toen met ongeveer 360.000 inwoners weliswaar veel groter, maar de omvang van Nieuwer-Amstel was toentertijd te vergelijken met steden als Zwolle, Den Bosch en Delft.

Geen behoefte

Onderhandelingen tussen Amsterdam en Nieuwer-Amstel over grenswijzigingen vonden voor het eerst plaats in 1875. Nieuwer-Amstel liet de grote buur weten “geen behoefte” te hebben aan andere grenzen. Pas in 1877 werd er verder gepraat. Voorstellen en tegenvoorstellen kwamen op tafel. Amsterdam wilde de delen die direct aan de stad grensden en waar al veel woningen stonden, inlijven. Nieuwer-Amstel wilde compensatie voor het afstaan van het gebied dat Amsterdam graag wilde hebben. Amsterdam moest dan een ander deel van haar grondgebied afstaan aan Nieuwer-Amstel. Voor Amsterdam betekende dit geen uitbreiding van de stad maar een grondruil. De gemeenteraad van Amsterdam wees met kracht de voorstellen van de kleinere buur van de hand. Conclusie was dat er voorlopig van een uitbreiding van Amsterdam geen sprake was.

Hogere belasting

De provincie wilde ook niet dat Amsterdam er een flink stuk Nieuwer-Amstel bij kreeg, maar een minder aanzienlijke uitbreiding van Amsterdam stond de provincie wel voor, zoals bleek uit een voorstel dat ze deed in 1880. Nieuwer-Amstel weerde zich hier tegen echter heftig. Inwoners van de gemeente – vaak weggetrokken uit het overvolle Amsterdam - waren bang meer belasting te moeten betalen na de inlijving door Amsterdam waar de lokale belasting veel hoger was. Ook de hoogte van belasting die recht gaf of stemrecht, lag in Amsterdam hoger. Er zou dus meer belasting betaald moeten worden en tegelijkertijd ging voor velen toch het kiesrecht verloren.

Minister van Binnenlandse Zaken Willem Six
Minister van Binnenlandse Zaken Willem Six

In januari 1882 diende minister van Binnenlandse Zaken Willem Six een wetsontwerp in waarin de gemeentegrens van Amsterdam flink naar het zuiden werd verlegd. Hij ging daarbij verder dan de voorstellen van de provincie. Hij begreep het probleem van de expansie van de stad maar al te goed en hij volgde in zijn wetsontwerp dan ook de veel verdergaande voorstellen van het gemeentebestuur van Amsterdam.

 

Het verzet van Nieuwer Amstel had echter succes. In een eenregelige brief laat de minister in april 1882 de Tweede Kamer weten het wetsontwerp “tot verandering van de grens tuschen Amsterdam en Nieuwer-Amstel in te trekken”. Overigens werd dit gedaan door minister Pijnacker Hordijk, opvolger van Six. De minister zag in dat het voorstel geen meerderheid in de Tweede Kamer zou krijgen.

Hartgrondig oneens

De discussie over annexatie was daarmee niet ten einde. In 1884 bekeek de provincie opnieuw een mogelijke grenswijziging. Zelfs de burgemeester van Nieuwer-Amstel kwam met het voorstel de noordkant van de gemeente maar aan Amsterdam te laten. De gemeenteraad van Nieuwer-Amstel was het daar hartgrondig mee oneens. De raad liet de provincie weten niets van een grenswijziging te willen weten. De provincie bracht vervolgens het oude wetsontwerp van Six weer naar voren. In 1886 liet minister Heemskerk – opvolger van Pijnacker Hordijk - echter weten dit voorstel van de provincie niet als wetsontwerp aan de Tweede Kamer te sturen.

Twee uit Amsterdam afkomstige Tweede Kamerleden gingen hierover het debat aan met minister Heemskerk. Zij betoogden dat Nieuwer-Amstel bestaat uit “eene plattelandsgemeente bestaande uit eenige van elkander verwijderde buurtschappen, en uit drie buitenwijken van de stad Amsterdam”. Het stadse gedeelte van Nieuwer-Amstel zou daarom bij Amsterdam gevoegd moeten worden. De meerderheid van de Tweede Kamer was hier echter niet voor te porren.

Overwinningsroes

Nieuwer-Amstel verkeerde in een overwinningsroes en besloot in 1886 vol zelfvertrouwen een nieuw stadhuis te bouwen aan de Amstel (afbeelding rechts). In 1892 was dit nieuwe stadhuis klaar. Het lag bepaald niet centraal in de gemeente, maar met opzet zeer dicht bij de grens met Amsterdam. Lang duurde dit vertoon van onaantastbaarheid van Nieuwer-Amstel niet. In 1894 presenteerde de provincie weer een nieuw annexatieplan. Dat was

Het raadhuis van Nieuwer-Amstel
Het raadhuis van Nieuwer-Amstel

nog ingrijpender dan het voorstel van 1882. Dit keer waren provincie en minister van Binnenlandse Zaken Samuel van Houten het roerend met elkaar eens. De tijden waren snel veranderd en een uitbreiding van Amsterdam werd als onvermijdelijk en zelfs noodzakelijk gezien. De minister schrijft aan de Tweede Kamer: “In de dertien jaren, sedert verloopen (na 1882), hebben de bezwaren, uit de bestaande regeling der grenzen van Amsterdam voortvloeiende, zich in steeds toenemende mate doen gevoelen”. Amsterdam was binnen de bestaande grenzen aan het einde van haar groei gekomen. Op bijna natuurlijke wijze was de stad gewoon aan de andere kant van de grens doorgegroeid. De minister betoogde dat op deze manier een groot deel van de bevolking van Nieuwer-Amstel “geniet van de voordeelen” die Amsterdam biedt, zonder dat ze er voor betalen. In wat stedelijke ontwikkeling genoemd kon worden, was die gemeentegrens een toevallig ooit getrokken lijn geworden. “Op het gebied van de gemeente Nieuwer-Amstel hebben zich reeds nu belangrijke Amsterdamsche wijken gevormd, die slechts door eene denkbeeldige lijn van de hoofdstad zijn gescheiden en in oeconomische zin een parasietisch bestaan leiden”, zo liet minister Van Houten de Tweede Kamer weten. Provincie en minister vonden het niet langer goed dat wat als één stad aanvoelde door twee gemeenten bestuurd moest worden. De Tweede Kamer ging akkoord. Slotsom was dat in 1896 grote delen van Nieuwer Amstel eindelijk bij Amsterdam werden gevoegd.

Het vier jaar daarvoor in gebruik genomen stadhuis van Nieuwer-Amstel kwam hierdoor op Amsterdams grondgebied te liggen. In Oost werd de grens van Amsterdam verlegd van de Vrolikstraat en de Grensstraat naar de Ringdijk. De grens in Zuid kwam te liggen bij de huidige Ringweg A10. Door deze grenswijziging kwamen er in Amsterdam in één klap 25.126 inwoners, waaronder 1.890 kiezers, bij. Daar stond tegenover dat het inwoneraantal van Nieuwer-Amstel daalde van ruim 30.000 naar 5.500.

Hans Buis

Wapen Amstelveen

Bij een volgende veel grotere uitbreiding van Amsterdam in 1921 kwam de gemeentegrens met Nieuwer-Amstel bij de Kalfjeslaan te liggen. Daar ligt nu nog steeds de grens tussen Amsterdam en Amstelveen. In 1964 werd de naam Nieuwe-Amstel veranderd in Amstelveen. (Links het wapen van Nieuwer-Amstel / Amstelveen).

Afslag Watergraafsmeer

In het Kamerdebat over de annexatie van grote delen van Nieuwer-Amstel in 1895 werd door tegenstanders naar voren gebracht dat het voorstel de autonomie van gemeenten aantastte. De grenzen tussen gemeenten verleggen omdat Amsterdam letterlijk tegen de gemeentegrens aanliep, werd als een oplossing gezien die weldra weer toegepast zou moeten worden. Binnen de kortste keren zou Amsterdam tegen de nieuwe gemeentegrens aanlopen, zo werd

gezegd. Dat gebeurde inderdaad. In 1921 werd de gemeente Watergraafsmeer bij Amsterdam getrokken.

Raadhuis Nieuwer Amstel

Het oude raadhuis van Nieuwer Amstel (het latere Amstelveen) was van 1914 tot 2007 in gebruik door het Amsterdamse Gemeentearchief. In 2007 verhuisde het archief naar het gebouw De Bazel, aan de Vijzelstraat, genoemd naar de architect van het gebouw, Karel de Bazel. Vanaf de oplevering in 1926 was dit grote pand tussen Herengracht en Keizersgracht in gebruik bij de Nederlandsche Handel-Maatschappij, opgericht in 1824 voor de handel met Nederlands Indië. De naam leeft ook nog voort in de ondertitel van Multatuli’s Max Havelaar: of de koffi-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappy uit 1860. In 1964 kwam een

fusie met de Twentsche Bank tot stand en werd de nieuwe naam Algemene Bank Nederland, ABN. Na nog een fusie in 1991 omgedoopt tot ABN-AMRO. In 1999 verliet de ABN-AMRO De Bazel, zodat na een grondige verbouwing het Gemeentearchief Amsterdam er in 2007 in kon trekken. Na de verhuizing veranderde het archief haar naam in Stadsarchief Amsterdam. In 1913 werd in Kerkrade een nieuw raadhuis in gebruik genomen dat sterk lijkt op het stadhuis van Nieuwer-Amstel, ook al is het niet van dezelfde architect afkomstig.

Bronnen:

  • J.P. Janse, De wet kent geen steden. Negentiende-eeuwse stadsgroei van Amsterdam en annexatie van het noordelijke deel van Nieuwer-Amstel. In Amstelodamum Jaarboek 84 (1992), pagina 159 - 176.
  • Theo Bakker, Stadsuitbreiding 1877 - 1921. Topografische bijzonderheden van de Amsterdamse stadsuitbreidingen en sporen van polderbebouwing in de geannexeerde gebieden. www.theobakker.net/pdf/annexaties.pdf.
  • J.H. Kruizinga, Watergraafsmeer. Eens een parel aan de kroon van Amsterdam. Allert de Lange, Amsterdam 1948.
  • Ton Heijdra, Stomweg gelukkig in de Dapperstraat. De geschiedenis van Dapperbuurt, Weesperzijdestrook en Transvaalbuurt. De Milliano Alkmaar 1996.
  • Erik van Kempen, In de ban van Amsterdam; in: het verlangen naar buiten; Amsterdam en het ommeland. Erfgoedstudies, studiejaar 2009 - 2010. Universiteit van Amsterdam, Amsterdams Historisch Museum, Staatsbosbeheer. 2010.
  • Fanta Voogd, De vergeten banpaal van Rembrandt. In: Ons Amsterdam nummer 2; februari 2005.

Camperstraat — Veelzijdig, zeer veelzijdig

Petrus Camper. Wie weet nog wie dat was? Lijn 3 heeft een tramhalte Camperstraat, daar ontleent de straat nog enige bekendheid aan. Maar Camper zelf? Dat de voormalige vroedvrouwenschool in de Camperstraat 17 was te vinden, is toevallig, maar ook bijzonder passend. In zijn hele leven verdiepte Camper zich uitvoerig in het onderzoek naar gecompliceerde bevallingen, met  speciale aandacht voor het 'beklemde hoofd'. En hij deed nog veel meer, want veelzijdig was hij zeker, zeer veelzijdig. 

Petrus Camper
Petrus Camper

Petrus Camper (1722 – 1789) was een ware duizendpoot. Op een oktoberochtend in 1746 promoveerde hij twee keer: in de wijsbegeerte - van 8 tot 10 uur en direct daarna, van 10 tot 12, in de geneeskunde. Hij was ook een uitstekend tekenaar, een goede redenaar en schreef scherpzinnige stukken in maandbladen. Hij legde een grote reislust aan de dag; Engeland, Frankrijk, Duitsland en Zwitserland bezocht hij meerdere malen.  Hij onderschreef de proefondervindelijke wetenschapsmethode, zoals gepropageerd door zij leermeesters 's Gravesande en Van Musschenbroek; geen onbekende naamgevers van straten in de buurt. En alsof dat nog niet genoeg was, ging Camper ook nog eens in de politiek.

Maar bovenal was Camper wetenschapper: hoogleraar in de geneeskunde en in de wijsbegeerte, bedreven in de verloskunde, forensische geneeskunde, anatomie en diergeneeskunde. Wat dat laatste betreft spande hij zich bijzonder in om een afdoende inenting tegen de veepest te ontwikkelen, overigens tevergeefs.

De suyp academie

Camper was 27 toen hij aan de universiteit van Franeker benoemd werd tot hoogleraar in de wijsbegeerte. Iets meer dan drie weken later werd hij aan dezelfde universiteit ook benoemd tot hoogleraar in de anatomie en chirurgie. Een langslepende competentiestrijd met een collega (over de volgorde in de stoet van hoogleraren bij het binnentreden van de universiteit) kenmerkte zijn verblijf in Franeker. Tussen de collega's kwam het uiteindelijk tot “handtastelijkheden en een proces”. Het was Camper die tot de handtastelijkheden overging, waarvoor hij uiteindelijk in 1752 tot een geldboete werd veroordeeld.

Tegenwoordig is nauwelijks meer bekend dat er een universiteit was in Franeker. De universiteit werd in 1585 opgericht, maar na een aanvankelijk succes wilde het niet erg vlotten met de wetenschapsbeoefening. De universiteit stond bekend als de suyp academie en in 1795 – stonden er nog maar acht studenten ingeschreven. Een basisschool moet tegenwoordig meer leerlingen hebben om te kunnen overleven. Keizer Napoleon, toen heerser over Nederland, hief in 1811 de universiteit van Franeker op. Maar dat was ver na de tijd van Camper.

In 1755 vertrok Camper naar Amsterdam, waar hij hoogleraar anatomie werd aan het Athenaeum Illustre, de voorloper van de Universiteit van Amsterdam.  Camper gedijde goed in Amsterdam. Naast de theorie wilde hij de praktijk van de geneeskunde beoefenen. Hij werd vroedmeester en daarvoor was het nodig dat hij ook als arts ingeschreven moest zijn in het chirurgijnsgilde. Ook al was hij hoogleraar, toch legde hij hiervoor een proeve van bekwaamheid af, zoals nu eenmaal aan iedereen die tot het gilde wilde toetreden was voorgeschreven. In Amsterdam deed Camper veel aan anatomische demonstraties en schreef hij ook het eerste deel van zijn Demonstrationes anatomico-pathologicae. Zijn anatomisch werk is door Tibaut Regters vereeuwigd in het schilderij De anatomische les van Petrus Camper, nog steeds te bewonderen in het Amsterdam Museum.

De anatomische les van Petrus Camper
De anatomische les van Petrus Camper

Verhouding

Krap een jaar een Amsterdam trouwde Camper met Johanna Bourboom, die eerder getrouwd was met de veel oudere Johannes Vosma, burgemeester van Harlingen. Camper leerde Johanna kennen omdat hij de arts van Vosma was, ten tijde van zijn hoogleraarschap in Franker. Het verhaal gaat dat Camper en de later mevrouw Camper al voor het overlijden van Vosma een verhouding hadden. Een zeer nieuwsgierige plaatselijke instrumentenmaker richtte zijn telescoop op het huis van burgemeester Vosma, waar Camper iedere dag kwam. De instrumentmaker adviseerde Camper toch vooral de gordijnen goed dicht te doen.

Ontslag

Zes jaar na zijn aantreden, in 1761, nam Camper ontslag aan het Athenaeum. Zijn vrouw wilde terug naar Friesland, waar ze vandaan kwam en Camper zelf wilde meer tijd om de landgoederen te beheren die hij door zijn huwelijk verkregen had. Zij gingen in het buiten Klein-Landum wonen, dat eigendom was van zijn vrouw. Lang duurde het bestieren van de landgoederen niet. In 1763 nam Camper de benoeming aan tot hoogleraar in de genees-, heel-, ontleed- en kruidkunde in Groningen. Tien jaar  bleef hij in Groningen om in 1773 weer te besluiten naar zijn buiten in Friesland te vertrekken en het hoogleraarschap op te zeggen.

Tekening gemaakt door Camper
Tekening gemaakt door Camper

Tekenlessen

Over het leven van Camper is veel bekend. Dat komt omdat hij de gewoonte had alles wat hij deed op te schrijven. Er zijn dus veel dagboeken en andere aantekeningen van Camper bewaard gebleven. Daarom is ook bekend dat hij bij één van zijn reizen naar London – toen hij net gepromoveerd was - niet alleen les nam bij een vermaard verloskundige Smellie, maar ook tekenlessen volgde. Zijn tekentalent stond op een dusdanig niveau dat hij door Smellie gevraagd werd diens boek over anatomie te illustreren. Hij verzorgde elf van de 39 tekeningen in het boek dat in 1752 verscheen.

Prijsvragen

Camper nam graag deel aan wetenschappelijke genootschappen; hij was van wel twintig genootschappen lid, in binnen- en buitenland, waaronder ook internationaal zeer vermaarde. In deze genootschapen wisselden wetenschappers hun kennis uit en daarom waren ze op dat vlak in Campers's tijd belangrijker voor de wetenschap dan universiteiten. Genootschappen vaardigden ook prijsvragen uit waarin om de oplossing van een lastig, bestaand probleem werd gevraagd. Camper mocht graag meedoen aan deze prijsvragen. Nadat hij tien keer als beste geëindigd was, werd hij vriendelijk verzocht af te zien van toekomstige deelname; de collega tegenstanders raakten er te ontmoedigd door.

Een vergelijkbare competitiedrift mocht Camper graag zijn studenten voorschotelen. Over elk onderwerp - bijvoorbeeld over de schoen - kon een wetenschappelijke verhandeling geschreven worden, vond Camper. Hij daagde zij leerlingen uit dat eens te proberen, maar de leerlingen betoonden zich zeer sceptisch. Om de proef op de som te nemen schreef Camper de Verhandeling over den besten schoen. Het werd in veel talen vertaald en beleefde herdruk na herdruk. Tot in de 19e eeuw werd de verhandeling gebruikt, waarmee Camper's stelling maar bewezen is.

De politiek in

Al ver gevorderd in zijn leven – hij was al 60 – ging Camper de politiek in. Hij was een vurig aanhanger van het huis van Oranje. Stadhouder Willem V trad vaak als Camper's beschermheer. Op aanwijzing van de prins-stadhouder werd Camper benoemd in het vroedschap van Workum, een groep burgers die als voornaamste taak het benoemen van de burgemeester had. Twee jaar later werd hij zelf burgemeester en werd hij ook lid van de Staten van Friesland. Uiteindelijk – in 1787 – werd hij voorzitter van de Raad van State; al moet gezegd dat hij deze zetel kocht voor het bedrag van tweeduizend gulden van een andere Oranje-aanhanger. Hij verhuisde nu naar Den Haag. In 1789 overleed hij daar plotseling aan de gevolgen van pleurites, borstvliesontsteking.

Petrus Camper was eigenzinnig, zeer veelzijdig, rusteloos en werd in zijn tijd ook bewonderd en bejubeld. Wolfgang Goethe typeerde hem als “ein Meteor von Geist, Wissenschaft, Energie und Thätigkeit.“ (Een ster in geest, wetenschap, energie en activiteit ). Toch bijzonder om in zijn straat te wonen.

Hans Buis

Bronnen:

  • J.K. Korst. Het rusteloze bestaan van dokter Petrus Camper (1722 – 1789). Bohn Stafleu Van Loghum. Houten 2008
  • B.W.Th. Nuyens. Petrus Camper als verloskundige. In Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 4 januari 1930
  • B.W.Th. Nuyens. Petrus Camper. Herdenkingsrede, gehouden op 29 april 1939 inde aula der Groningsche universiteit. In Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 6 mei 1939
  • C.E. Daniels. Het leven en de verdiensten van Petrus Camper, Leeflang. Utrecht 1880
  • www.franekeruniversieit.nl

Commelinstraat — Naar welke Commelin is de straat genoemd?

Er zijn generaties Commelins actief geweest in Amsterdam. Voor de straatnaam zijn daarvan drie belangrijk. Casper Commelin sr., uitgever van historische werken over Amsterdam, zijn broer Jan Commelin en zijn zoon Casper Commelin jr., die beiden een belangrijke rol vervulden in de geschiedenis van de Hortus Botanicus, de medicinale plantentuin van de stad Amsterdam. Maar naar wie is de straat nu echt genoemd?

De Hortus Botanicus had in de tijd van de Commelins vooral een functie in de opleiding van apothekers. Kennis van planten was in die tijd onderdeel van de leerstof van apothekers. Het herkennen van planten was onderdeel van het examen van apothekers dat in de Hortus werd afgenomen. Aan de Hortus was dan ook een hoogleraar verbonden, in dienst bij de stad Amsterdam en voor een deel betaald uit de inkomsten van de Hortus Botanicus.

Dertien keer burgemeester

Getekende plattegrond vsn de Hortus
Getekende plattegrond vsn de Hortus

In 1682 nam het stadsbestuur het besluit de Hortus te vestigen in wat tegenwoordig de Plantagebuurt heet; het gebied heette toen kortweg de Plantage. Het toeval wilde dat er in die tijd in het stadsbestuur veel wetenschappelijk geïnteresseerden zaten. Zij zaten in de juiste positie – als burgemeester, in de raad en commissies - om snel tot besluiten te komen om de Hortus op deze nieuwe plek te vestigen. De geograaf Nicolaas Witsen en de wiskundige Johannes Hudde waren burgemeester. Joan Huydecoper,

die dertien keer burgemeester was van Amsterdam, was samen met Jan Commelin initiatiefnemer om de Hortus in de Plantage te vestigen. Jan Commelin zelf was overigens ook lid van de raad van Amsterdam. Huydecoper en Commelin werden in 1683 tot commissarissen van de Hortus benoemd. Beide waren zeer geïnteresseerd in de plantkunde en hadden ook privétuinen met vaak exotische planten.

Een jaar na het besluit over de nieuwe vestigingsplaats, in 1683, werden de eerste planten in de Hortus gepland. Dat was nog een hele prestatie omdat het gebied nogal moerasachtig was en er veel grond aangevoerd moest worden om het gebied geschikt te maken voor de groei van planten en kruiden. Er kwam ook een hovenier, die het redelijke salaris van vierhonderd gulden per jaar verdiende en verder recht had op ‘vrij bier, licht (kaarsen) en brandt (olie)’.

Lucratieve handel

Jan Commelin (1629 – 1692) was wat tegenwoordig een self-made man wordt genoemd. Hij kocht medicinale planten en kruiden van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) om ze door te verkopen aan apotheken en ziekenhuizen in de hele Republiek der Verenigde Nederlanden. Dat was een lucratieve handel waar Jan Commelin een vermogend man mee is geworden. Een wetenschappelijke opleiding had hij niet genoten, toch stond hij in hoog aanzien als het om zijn kennis van de plantkunde ging. Frederik Ruysch was in 1685 benoemd tot hoogleraar plantkunde, maar zijn bezigheden in de Hortus beperkte zich tot het lesgeven aan aankomende apothekers. De feitelijke leiding over de Hortus lag bij Jan Commelin. In 1689 gaf hij de eerste catalogus over de planten in de Hortus uit: de Catalogus plantarum Horti Medici Amstellodamensis.

Jan Commelin
Jan Commelin

Jan Commelin zorgde er voor dat de Hortus in tien jaar tijd in hoog aanzien kwam te staan. Goede contacten met andere Horti en met personen met privétuinen lag daaraan ten grondslag. Veel planten waren daarvan afkomstig. Van het bevaren van de wereldzeeën door de VOC werd ook handig gebruik gemaakt om aan exotische planten te komen. De tuin met medicinale planten genoot in die korte tijd dan ook groot internationaal aanzien en was een belangrijke bron voor wetenschappelijk onderzoek en publicaties.

Verzoekschrift

Rembrandt's De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp
Rembrandt's De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp

Burgemeester Huydecoper en raadslid Commelin hadden een specifieke argumentatie om in 1682 de raad van Amsterdam het voorstel  te doen om de Hortus in de Plantage te vestigen. Het ging hen om het bevorderen van de gezondheid van de burgers van Amsterdam. Het onderwijs aan de apothekers was er immers mee gediend. Dezelfde reden werd vijftig jaar daarvoor aangevoerd om de eerste Hortus op te richten.

Dat had toen nog heel wat voeten in de aarde, want het stadsbestuur was niet direct overtuigd. Een verzoekschrift ondertekend door doktoren en apothekers werd afgewezen, ondanks een stevige lobby van Barleus, Vossius en Huygens. Een dood- en verderfzaaiende pestepidemie in 1635, maakte duidelijk dat er nogal wat schortte aan de kennis van apothekers. Het voorgeschreven medicijn tegen de pest had lang niet altijd dezelfde samenstelling, waardoor de bestrijding van deze ernstige epidemie niet effectief was. De opleiding moest beter geregeld worden. Er kwam ook een landelijke verplichting te werken met een receptenboek waarin de samenstelling van een medicijn beschreven werd. Burgemeester Nicolaes Tulp – vooral bekend als chirurg op het schilderij De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp van Rembrandt – gaf opdracht aan een commissie om tot een dergelijk boek te komen. Bij inspectie van de kennis van het receptenboek bij apothekers bleek ook dat deze zeer te wensen overliet. Voor een goede opleiding was een Hortus Medicus dus onmisbaar. Het werd verplicht de examens van apothekers af te nemen in een Hortus. In Amsterdam was het in 1638 zover. Het eerste examen van een apotheker werd toen in de Hortus afgenomen. Al snel volgden meer examens.

Utrechtsestraat

De eerste Hortus bevond zich in de tuin van het voormalige klooster het Reguliershof, dat toen net buiten de stadsmuren lag. Het hof bevond zich waar tegenwoordig de Keizersgracht en de Utrechtsestraat elkaar kruisen. Het moest daar wijken vanwege de stadsuitbreiding: de aanleg van de grachtengordel in de Gouden Eeuw. De Hortus verhuisde in 1665 naar het Binnengasthuis, om daarna in 1682 in de Plantage weer een nieuwe start te

De Amsterdamse grachtengordel in wording
De Amsterdamse grachtengordel in wording

maken. Het is aan de stagnerende uitbreiding van Amsterdam te danken dat de Hortus Botanicus zich op de plek bevindt waar die nog steeds te vinden is: aan de rand van de Plantagebuurt. Daar was nog ruimte te vinden.

De grachtengordel was in de Gouden Eeuw snel volgebouwd, maar de beoogde sprong over de Amstel wilde niet echt vlotten. De Nieuwe Keizersgracht en de Nieuwe Herengracht kwamen er nog wel, maar het verder doorzetten van de bebouwing stagneerde door de neergang in de economie en de grotere concurrentie van andere, buitenlandse steden. Amsterdam was als vestigingsplaats minder in trek. Het aantal inwoners bleef hangen rond de 210.000, terwijl het in de jaren daarvoor nog met meer dan 50.000 inwoners gestegen was in 12 jaar.

Zo zijn er twee opvallende verschillen tussen de eerste Hortus en de vestiging van de Hortus in de Plantage. De eerste Hortus was een initiatief van artsen en apothekers, waar het stadsbestuur pas na lang aarzelen aan wilde. De Hortus in de Plantage kwam er op initiatief van het stadsbestuur zelf. De eerste Hortus moest wijken voor de stadsuitbreiding. De Hortus in de Plantage kwam er omdat de stadsuitbreiding stokte.

Voetsporen

In 1697 verscheen er een overzicht van de exotische planten in de Hortus, de Horti Medici Amstellodamensis rariorum plantarum historia. Jan Commelin was de belangrijkste schrijver van dit overzicht, maar bij zijn dood was het nog niet helemaal af. Frederik Ruysch en de Haagse apotheker Frans Kiggelaar verzorgden de uiteindelijke publicatie. In 1701 kwam er een tweede deel uit; dit keer geschreven door de neef van Jan, Casper Commelin jr (1668 – 1731). In 1696 was hij door het stadsbestuur benoemd tot botanicus van de Hortus.

CornelisTroost: rechts Cssper Commelin
CornelisTroost: rechts Cssper Commelin

Hij was een in Leiden gepromoveerd medicus en hij oefende dat beroep enige tijd uit in Amsterdam. In 1706 werd hij hoogleraar plantkunde, naast Frederik Ruysch die dezelfde titel mocht dragen. Het hebben van twee hoogleraren – die onderling het werk verdeelden - was een unieke situatie, die ook ophield te bestaan in 1731 toen zowel Casper Commelin als Frederik Ruysch overleden. Casper Commelin werkte dus, net als zijn oom, samen met Frederik Ruysch. Ze hadden ook veel gemeen. Net als Ruysch was Casper Commelin jr. zijn maatschappelijk leven begonnen als apotheker om daarna medicijnen te gaan studeren in Leiden. Beide hadden ook een grote belangstelling voor geneeskrachtige kruiden en planten.

Casper trad in de voetsporen van zijn oom. Hij schreef niet alleen catalogussen – over geneeskrachtige planten – hij breidde de Hortus ook verder uit met nieuwe planten. Daarnaast gaf hij college in de exotische planten en de medicinale werking ervan. Ook onder Casper Commelin bleef de Hortus in hoog aanzien staan. De internationale belangstelling bleef groot vanwege de bijzondere planten in de Hortus.

Traditie

Casper Commelin sr.
Casper Commelin sr.

De derde Commelin, Casper sr. (1636 – 1693) was drukker in Amsterdam. Hij paste daarmee in de traditie van zijn familie. Zijn grootvader, zijn vader en twee van zijn ooms waren ook drukker of boekhandelaar. In 1693 verscheen postuum van zijn hand Beschrijvinge van Amsterdam. Commelin gaf daarin een beschrijving van het nieuwe onderkomen van het gilde van de chirurgijns in het Waaggebouw op de Nieuwmarkt, waar ook de openbare anatomische voortaan werden uitgevoerd. Hoe op dat moment de Hortus er uitzag, valt in dit werk ook na te lezen. Voor dit werk had Casper de unieke mogelijkheid bij de secretarie van Amsterdam brieven in te zien. De Beschrijvinge van Casper was echter niet veel meer dan een bijgewerkte versie van de Beschrijvinge uit 1665,

geschreven door Isaac Commelin, de vader van Jan en Casper. De stadhistorieschrijver van Amsterdam, Jan Wagenaar (inderdaad, van de Wagenaarstraat), had – een kleine driekwart eeuw later - kritiek op het geschiedkundig werk van Casper Commelin. In de ogen van Wagenaar voegde Casper weinig toe aan het werk van zijn vader en was Casper ook nog slordig in het overschrijven.

Wie van de drie?

Naar wie van de drie Commelins is de Commelin straat nu genoemd? Hoewel vergeleken met zijn broer Jan en zijn zoon Casper zijn bijdrage aan de medische wetenschap gering was , is de Commelinstraat toch naar drukker Casper Commelin genoemd. Bijdrage aan de medische wetenschap is ook geen criterium geweest voor de gemeenteraad die in 1896 de straat naar hem vernoemde. De straten in de Dapperbuurt zijn genoemd naar bekende Amsterdamse historici. Tot die categorie hoort Casper sr. wel. De medici zijn te vinden in de Oosterparkbuurt en Weesperzijdestrook. En daar is het nooit tot een Jan of Casper Commelinstraat gekomen.

Hans Buis

Bloem Hortus Botanicus Amsterdam

In 1638 ontstond in de stad Amsterdam de Hortus Botanicus. Een aantal straatnaamgevers is nauw verbonden geweest met deze instelling. Het gaat dan vooral om Frederik Ruysch, Jan Commelin, zijn neef Casper Commelin, Johannes Burman en zijn zoon Nicolaas Burman. Hun gezag over de Hortus bestrijkt de periode van 1682 tot 1693. Het reilen en zeilen van de Hortus in deze periode is terug te vinden in twee verhalen: dit verhaal over de Commelins en het vervolg daarop over de Burmans: Rijk, scherpzinnig en beleefd.

Amstel hotel aan Turlpplein

Nicolaes Tulp, Johannes Hudde, Nicolaas Witsen en Joan Huydecoper hebben ook straatnamen naar zich vernoemd gekregen. Al deze straten bevinden zich in het centrum van Amsterdam. Aan het Professor Tulpplein is het Amstelhotel gevestigd; recht tegenover de ingang van het hotel is de Professor Tulpstraat te vinden. Zijstraten zijn de Huddekade en de Huddestraat. Iets verderop, meer naar het centrum, bevindt zich niet ver van de Nederlandse bank de Huydecoperstraat, die weer uitkomt op de Nicolaas Witsenkade.

portret Ruysch 2

Frederik Ruysch was als hoogleraar belast met het onderwijs aan de praktische beoefenaars van de geneeskunde. Hij gaf ook onderricht aan vroedvrouwen. Dat hield hem echter niet af van zijn andere werk: het conserveren van lichamen en het zichtbaar maken van vatenstelsels in het lichaam, die hij tot in de perfectie doorvoerde. Lees er alles over in De klapvliezen van Frederik Ruysch en onwetendheijdt, bezeulingen en dwalingen.

hortus 375 jaar

In het jaar dat Amsterdam uitbundig 400 jaar Grachtengordel vierde, 2013, bestond de Hortus Botanicus 375 jaar. De planten kunnen nog steeds iedere dag bewonderd worden. Daar zijn er meer dan 7000 van. Er zijn rondleidingen, er is een speciaal programma voor kinderen en er zijn themaroutes door de tuin. In 1986 dreigde de Hortus gesloten te worden. De banden met de Universiteit, die er al sinds de 18e eeuw 

waren, werden verbroken. Dat de Hortus nog steeds bestaat is te danken aan de inzet van een groot aantal inwoners van Amsterdam en daarbuiten. Uiteindelijk werd de Stichting Hortus Botanicus opgericht en bleef de plantentuin behouden. Daarnaast is er een Vereniging van Vrienden van de Amsterdamse Hortus, met meer dan 8000 leden. Voor meer informatie over de Hortus Botanicus: www.hortus.nl.

Bronnen:

  • D.O. Wijnands, E.J.A. Zevenhuien, J. Heniger, Een sieraad voor de stad. De Amsterdamse Hortus Botanicus. 1638 – 1993. Amsterdam University Press. Amsterdam 1994.
  • Luuc Kooijmans, De doodskunstenaar. De anatomische lessen van Frederik Ruysch
  • Maud C.M. Lankester-Marcus, Stedentrots & stedenpracht:kunstenaarsvermeldingen in stadsbeschrijvingen van Noord-Nederlandse steden 1600-1850. 2013 - RKD Monographs. http://rkdmonographs.preview. angelfish.altcontrol.nl/

Burmanstraat — Rijk, scherpzinnig en beleefd

Johannes Burman volgt in 1731 Casper Commelin op als hoogleraar plantkunde verbonden aan de Hortus Botanicus, de medicinale plantentuin van de stad Amsterdam. Veel tijd schijnt Burman niet kwijt te zijn geweest aan het hoogleraarschap; het leverde hem wel een goed inkomen op. Een tijdgenoot noemde hem ‘rijk, scherpzinnig en beleefd’Wie was deze Johannes Burman,                                                                 waar de Burmanstraat en de Burmandwarstraat naar genoemd is?

Johannes Burman
Johannes Burman

In 1731 kwamen achter elkaar de twee hoogleraren die de Hortus Botanicus toen rijk was, te overlijden: Frederik Ruysch in de hoge leeftijd van 93 jaar en Casper Commelin, 63 jaar oud. Daarmee kwam ook een einde aan de luxe van twee hoogleraren plantkunde van de stad Amsterdam (zie Naar welke Commelin is de Commelinstraat genoemd?). Voortaan moest de functie vervuld worden door één persoon. Deze persoon werd Johannes Burman (1706 – 1779). Hij was in Leiden in 1728 gepromoveerd bij Herman Boerhaave op een proefschrift over de lymfevaten. Dat orgaan had Frederik Ruysch wereldberoemd gemaakt vanwege zijn anatomische kunsten (lees daar meer over in De klapvliezen van Frederik Ruysch). Het was dan ook niet verwonderlijk dat Burman als assistent bij Ruysch in dienst trad, al meteen in het jaar van zijn promotie.

Toen - twee jaar later -  in 1731 hoogleraar plantkunde aan de Hortus Botanicus werd, was hij pas 25 jaar oud. Hij vervulde deze functie tot 1777.

In 1755 komt er een belangrijke wijziging in zijn aanstelling, al is daar in de praktijk van het lesgeven niet veel van te merken. Voortaan is de hoogleraar plantkunde van de Hortus Botanicus ook hoogleraar aan het Athenaeum Illustre. Dat betekende dat ook studenten in de medicijnen de lessen in de Hortus gingen volgen. Gevolg was ook dat er een nauwere band ontstond tussen de voor-wetenschappelijke opleiding aan het Athenaeum - de voorloper van de Universiteit van Amsterdam - en de Hortus. Een band die heel lang bleef bestaan.

Keukenhof

Johannes Burman was niet de enige die zich opvolger van Frederik Ruysch kon noemen. Het werk dat Ruysch had verzet was zeer veelzijdig. Naast zijn hoogleraarschap plantkunde, vervulde hij nog zeker vijf andere functies. Willem Röell volgde Ruysch op als hoogleraar anatomie, hoogleraar chirurgie, stadsvroedmeester, doctor van het Gerecht (lijkschouwer) en docent van de vroedvrouwen. Behalve in de anatomie stelde Röell ook veel belangstelling in de plantkunde. Om dat laatste verder vorm te geven kocht Röell in Lisse een buitenplaats: de Keukenhof. Röell kon het goed vinden met Johannes Burman. Dat bleek ook toen hij in 1757 aan Johannes Burman een bijzonder cadeau gaf.

Willem Roell
Willem Roell

Het was een herbarium (verzameling gedroogde planten in een boek) dat vol stond met planten die rond Kaap de Goede Hoop in Zuid-Afrika te vinden waren. Tot dan toe had nog niemand de hand weten te leggen op dit herbarium.

Opvallend

voorkant publicatie burman

Johannes Burman was een waardig opvolger van zijn voorgangers Jan en Casper Commelin. Hij verzorgde niet minder dan zeven publicaties met beschrijvingen van planten. Twee daarvan gingen over de planten op Ceylon (het tegenwoordige Sri Lanka) en Zuid-Afrika. Van het bereizen van de wereldzeeën door de Oost-Indische Compagnie werd dankbaar gebruik gemaakt om aan planten uit verre oorden te komen. Opvallend genoeg hadden de zeven publicaties niet de planten van de Hortus tot onderwerp. De beschreven planten waren soms wel te vinden in de Hortus, maar voor een belangrijk deel ook niet.

Burman had ook een eigen plantkundige bibliotheek die veel uitvoeriger was dan die van de Hortus. Daarnaast beschikte hij privé ook over een verzameling van afbeeldingen van planten en een herbarium. Johannes Burman zorgde er wel voor dat de collectie van de Hortus gestaag werd uitgebreid. De stadhistorieschrijver Jan Wagenaar gaf in zijn beroemde geschiedkundige werk Amsterdam in zijn opkomst …. een beschrijving van hoe de Hortus Botanicus er rond 1760 uitzag, waaruit de groei van het aantal planten in de Hortus goed bleek.

Diemermeer

Johannes Burman wijdde zich vaker aan privézaken in werktijd. Hij bezat een eigen botanische tuin in een buitenplaats in het Diemermeer bij de Kruisweg (tegenwoordig de Middenweg en de Kruislaan). Deze buitenplaats ging door als een van de mooiste buitens van Amsterdam. “Hier waren lanen van bomen, zo dik, dat ik ze niet kon omspannen, die de professor zelf gepland had”, schrijft een bezoeker aan de buitenplaats in 1759. De bezoeker vroeg zich ook af wat de professor zoal deed op een dag. Naast zijn werk in de Hortus had hij een groot aantal patiënten. Dat kon ook makkelijk, oordeelde de bezoeker, omdat de “voorlezingen … niet veel tijd in beslag namen.” De bezoeker achtte Burman dan ook een rijk man. Hij verdiende als hoogleraar bij elkaar tweeduizend gulden per jaar en had daarnaast nog inkomsten uit de zorg voor zijn patiënten. De bezoeker was lovend over de geleerdheid van Johannes Burman: “Hij ziet er scherpzinnig uit en spreekt weinig. Mij bewees hij veel beleefdheid.”

Zweedse botanicus

Linnaeus
Linnaeus

Burman had veel interesse in de indeling en naamgeving van plantensoorten die door de Zweedse botanicus Linnaeus werd ontwikkeld. In 1735 vestigde Linnaeus zich enige tijd in Amsterdam. Na een bezoek aan de Hortus, al meteen op de eerste dag na zijn aankomst, bood Johannes Burman hem onderdak aan in zijn eigen huis. Burman liet hem gebruik maken van zijn omvangrijke bibliotheek en stelde Linnaeus zo in de gelegenheid zijn theorieën over de indeling van planten verder te ontwikkelen. Burman introduceerde Linnaeus ook in de wereld van de plantkundigen in de Republiek van de Verenigde Nederlanden, zoals bij Willem Röell en Herman Boerhaave.  Nadat Linnaeus de indeling en naamgeving van planten verder ontwikkeld had – dat gebeurde pas definitief in 1753 – was Johannes Burman de eerste om deze nieuwe

indeling en naamgeving in 1755 te gebruiken in zijn publicatie Auctuarium op het Ambonische kruydboek. (Lees meer over Linnaeus in Een pedante vernieuwer van de plantkunde.)

De geranium

In 1777 volgde Nicolaas Burman (1733 – 1793) zijn vader Johannes Burman op als hoogleraar plantkunde verbonden aan de Hortus. Hij promoveerde in 1759 op de geranium en volgde ook enige tijd onderricht in Uppsala, de Zweedse universiteit waar Linnaeus ondertussen hoogleraar was. De rollen waren nu omgekeerd. Linnaeus ontfermde zich over de jonge Burman, zoals hij volop de aandacht had genoten van Johannes Burman, toen hijzelf als jonge man in Amsterdam verbleef.

Als het om publicaties ging was zoon Nicolaas minder productief dan zijn vader. Hij werkte wel aan een belangrijk werk, de Flora Indica, een overzicht van de flora in Oost- en West-Indië. In 1768 werd het boek gepubliceerd en ook toegestuurd aan Linnaeus in Uppsala. Deze had echter nogal wat kritiek op het werk. Het bevatte weinig nieuws. Niettemin had Linnaeus niet geschroomd delen van het manuscript van Burman onder eigen naam te publiceren in één van zijn eigen werken. Tot problemen tussen beiden heeft dit niet geleid.

Na de Flora Indica heeft Nicolaas Burman niet veel meer publicaties verzorgd. Ook een nieuwe catalogus van de Hortus Botanicus werd niet

Nicolaas Burman
Nicolaas Burman

vervaardigd. Zijn depressieve persoonlijkheid en zijn slechte gezondheid lagen hier aan ten grondslag. Uiteindelijk was hij vanwege financiële problemen ook gedwongen de buitenplaats in het Diemermeer te verkopen.

Bloeiperiode ten einde

Hiermee kwam eind 18e eeuw een eind aan de grote bloeiperiode van de Hortus Botanicus. Joan Huydecoper en vooral Jan Commelin hadden de grondvesten vanaf 1682 stevig neergezet. In korte tijd had de Amsterdamse Hortus wereldfaam verworven. Dat werk werd voortgezet door Casper Commelin, die tot 1731 hoogleraar aan de Hortus was. Daar werd nog verder op voortgeborduurd door Johannes Burman. Ook zoon Nicolaas Burman droeg nog een steentje bij. Maar al snel nam de glans van de Hortus af. Publicaties verschenen er niet meer en het aanzien van de hoogleraren nam aanzienlijk af. Aan een bloeiperiode van ongeveer honderd jaar kwam een einde.

Hans Buis

Bloem Hortus Botanicus Amsterdam

In 1638 ontstond in de stad Amsterdam de Hortus Botanicus. Een aantal straatnaamgevers is nauw verbonden geweest met deze instelling. Het gaat dan vooral om Frederik Ruysch, Jan Commelin, zijn neef Casper Commelin, Johannes Burman en zijn zoon Nicolaas Burman. Hun gezag over de Hortus bestrijkt de periode van 1682 tot 1693. Het reilen en zeilen van de Hortus in deze periode is terug te vinden in twee verhalen: dit verhaal over de Burmans en de periode die daar aan vooraf ging, in Naar welke Commelin is de Commelinstraat genoemd.

Hortus 375

In het jaar dat Amsterdam uitbundig 400 jaar Grachtengordel vierde, 2013, bestond de Hortus Botanicus 375 jaar. De planten kunnen nog steeds iedere dag bewonderd worden. Daar zijn er meer dan 7000 van. Er zijn rondleidingen, er is een speciaal programma voor kinderen en er zijn themaroutes door de tuin.

In 1986 dreigde de Hortus gesloten te worden. De banden met de Universiteit, die er al sinds de 18e eeuw waren, werden verbroken. Dat de Hortus nog steeds bestaat is te danken aan de inzet van een groot aantal inwoners van Amsterdam en daarbuiten. Uiteindelijk werd de Stichting Hortus Botanicus opgericht en bleef de plantentuin behouden. Daarnaast is er een Vereniging van Vrienden van de Amsterdamse Hortus, met meer dan 8000 leden. Voor meer informatie over de Hortus Botanicus: www.hortus.nl.

 

Bronnen:

  • D.O. Wijnands, E.J.A. Zevenhuien, J. Heniger, Een sieraad voor de stad. De Amsterdamse Hortus Botanicus. 1638 – 1993. Amsterdam University Press. Amsterdam 1994.