Middenweg — Over buitenverblijven en een kritische krantenuitgever

De Middenweg is wat de naam al aangeeft: de weg in het midden, in dit geval van de Watergraafsmeer in Amsterdam Oost. De weg is lang en kaarsrecht, het gevolg van de verkaveling die volgde op de inpoldering van wat ooit het Watergraafs- of Diemer Meer heette. Al in de 17e eeuw werd het water land, maar liep daarna nog twee keer onder water. In de 18e eeuw regen de luisterrijke buitenverblijven van rijke Amster-dammers er zich aaneen. Tussen al dat weelderige groen van de Watergraafsmeer speelde zich ook een verbeten politieke strijd af, uitgevochten met drukinkt.

De Slag bij Diemen 1572
De Slag bij Diemen 1572

In 1622 bedacht de advocaat Cornelis Davelaar het plan om het Diemer Meer droog te malen en zo land te winnen. Het meer bracht Amsterdam voor- en nadelen. Het was een goede beschutting tegen vijandelijke aanvallen omdat het meer omvangrijk en diep was. Evengoed was het meer een last: bij slecht weer kon het er zeer onstuimig aan toe gaan en dan bedreigde het water de stad. In 1572 leverden de Geuzen en Spanjaarden een heuse slag op het meer en de Diemerzeedijk, bekend als de Slag bij Diemen.

Aanzienlijke kosten

Davelaar vroeg toestemming aan het bestuur van Amsterdam om zijn plan te mogen uitvoeren. De Vroede Vaderen van de stad eigenden zich echter het plan toe; ze deden dit lucratieve klusje liever zelf. Met het nieuwe land kon aardig wat geld verdiend worden. Er moesten vergunningen worden aangevraagd en de Staten van Holland en West Friesland gaven in 1624 aan Amsterdam het eerste “octrooi” om het meer droog te leggen; andere vergunningen volgden in de jaren daarna. Nadat ook de financiën waren geregeld werd in 1628 aan het grote werk begonnen. De kosten waren voor die tijd aanzienlijk, ze werden geraamd

op 300.000 gulden. In 1629 was het meer drooggemalen. Het nieuwe land had een afmeting van 610 hectare (meer dan 1200 voetbalvelden). De verkaveling van de grond begon in 1631. Hoe de verkaveling er in 1710 is goed te zien in de illustratie.

De belangrijkste weg die dwars door het nieuwe land liep, van het einde van de Oetewalerweg (tegenwoordig de Linnaeusstraat) naar Diemen, werd toen de Middelweg genoemd.

Verkaveling van de Watergraafsmeer in 1710
Verkaveling van de Watergraafsmeer in 1710
Kruislaan

Eén weg kruiste de Middelweg, dat was de Cruysweg, de tegenwoordige Kruislaan. (Lees meer over de geschiedenis van de Oetewalerweg en de Linnaeusstraat in: Oetewalerstraat - Napoleon en de limietpalen van Amsterdam).

Natte voeten

Lang hielden de nieuwkomers in de Watergraafsmeer hun voeten niet droog. De dijk die de nabijgelegen Zuiderzee tegen moest houden, was niet overal even sterk. In 1651 – 32 jaar na de drooglegging dus - brak de zeedijk door bij Oetewaal (waar nu dierentuin Artis te vinden is) en het nog maar pas droge land liep binnen vijf uur weer helemaal onder water. De vierhonderd bewoners van de Watergraafsmeer wisten zich allemaal te redden, maar van hun bezittingen was weinig over.

Een jaar later, in 1652, was het land al weer droog-gemalen en startte de bebouwing van het voormalige meer opnieuw. Deze tweede drooglegging was echter ook weer van korte duur. Na twintig jaar, in 1672,  werd de Watergraafsmeer met opzet onder water gezet om de omrukkende Franse legers tegen te houden.  Lodewijk XIV trok in dit Rampjaar de Republiek der

Lodewijk XIV bij Lobith in 1672, het Rampjaar
Lodewijk XIV bij Lobith in 1672, het Rampjaar

Verenigde Nederlanden binnen en naderde Amsterdam. Het lukte inderdaad de Fransen staande te houden en in 1674 moesten de molens opnieuw malen om het land weer droog te krijgen; dat lukte uiteindelijk in 1678. Het bestuur van de Watergraafsmeer vroeg de gemeente Amsterdam om een bijdrage in de kosten van het droogmalen. Het was immers om Amsterdam tegen de Fransen te beschermen dat de Watergraafsmeer weer onder was gelopen. Het bestuur van Amsterdam wilde hier echter niets van weten; er kwam geen schadevergoeding.

Glorietijd

De Watergraafsmeer in 1719
De Watergraafsmeer in 1719

De 18e eeuw werd voor de Watergraafsmeer een glorietijd. Tal van rijke Amsterdamse kooplieden lieten langs de Middenweg en Kruislaan buitenhuizen bouwen. Ze verbleven daar grote delen van het jaar, vooral in de zomermaanden. Ook al bezaten de kooplieden stadspaleizen aan de grachten, het was er ’s zomers niet uit te houden; de stank was zeker bij warm weer ondragelijk. De grachten waren een open riool en werden verder gebruikt

om het huisvuil in te storten. Het buitenhuis bracht dan uitkomst. Uiteindelijke verrezen er 160 buiten-plaatsen, hofsteden en pleziertuinen; niet alleen langs de Middenweg, maar in de hele Watergraafsmeer.

Franckenthall

Tegenwoordig is er nog maar één van de vele buitenplaatsen over: Huize Frankendael aan de Middenweg 72. Het buiten is rond 1660 gebouwd en had tot 1695 geen naam. Toen kocht Izaak Balde het landgoed en noemde het naar de Duitse plaats Franckenthall waar zijn ouders vanwege hun geloof vanuit Vlaanderen naar toe gevlucht waren. Zoon Izaak kreeg als toevoeging aan zijn naam ‘van Franckendael’. En die naam is op de buitenplaats overgegaan. Izaak Balde verbouwde de buitenplaats aanzienlijk en breidde de tuin ook uit. In de decennia daarna wisselde de buitenplaats nog enkele keren van eigenaar totdat in 1835 de bestemming een grote verandering onderging.

Schommels en wippen

Tussen 1835 en 1866 werd Frankendael opengesteld voor het publiek. Het werd een pleziertuin: er werd thee geschonken, er waren schommels en wippen en in de tuin en het bos achter het huis was het goed toeven voor een middagje uit. Het was de tijd dat meer lusthoven een andere functie kregen. De rijke Amsterdammers maakten niet langer alleen de dienst uit, de gewone Amsterdammer trok ook naar buiten voor een dagje vertier, zoals naar Frankendael.

 

Wat er over is van de hermitage in park Frankendael
Wat er over is van de hermitage in park Frankendael

In de vijver bij Frankendael stond op een klein eiland een huisje – de hermitage genoemd - waar naartoe geroeid kon worden. Deze hermitage is nog steeds te vinden bij Frankendael. In de hermitage was een pop te vinden die een monnik voorstelde. Als er een munt in de pop werd gegooid, wees de arm van de pop naar een kist waarop de woorden “gedenk te sterven” te lezen waren.

Tuinbouwschool

In 1866 ging de buitenplaats over in handen van de Koninklijke Nederlandse Tuinbouw Maatschappij Linnaeus en werd Frankendael een kwekerij en tuinbouwschool. Op de bovenverdieping van Frankendael sliepen de leerlingen. Een van de beroemdste leerlingen is de latere tuinarchitect Leonard Springer die het Oosterpark en het Sarphatipark ontwierp. De toegang tot de buitenplaats werd aanzienlijk beperkt. Op vertoon van een lidmaatschapskaart mocht men op één dag in de week het landgoed op.

De tuinbouwschool bij Frankendael
De tuinbouwschool bij Frankendael

Lang hield de kwekerij en opleidings-school het niet vol. In 1882 sloot Tuinbouw Maatschappij Linnaeus alweer de deuren. De kosten waren te hoog en het aantal leerlingen liep ook nog eens terug. De gemeente Amsterdam kocht het huis, de bij-gebouwen en omliggende grond. Ze vestigde hier de stadskwekerij om de gemeentelijke plantsoenen en parken van groen te voorzien. De stads-kwekerij bleef er tot 1997.

De drukker en het vrije woord

In de 18e eeuw toen de buitenhuizen langs de Middenweg tot bloei kwamen, woedde er ook een heftige strijd tussen patriotten en prinsgezinden die vooral op papier en met drukinkt uitgevochten werd.

De patriotten hingen de denkbeelden van de Franse verlichting aan en de prinsgezinden opteerden voor het huis van Oranje en moesten van de nieuwlichterij uit Frankrijk niets hebben. In deze strijd speelde Hermanus Koning met zijn Diemer- of Watergraaf-Meersche Courant een voorname rol. Aan de kant van de patriotten wel te verstaan.

De Courant verscheen voor het eerst in 1781 en was de opvolger van de Noordhollandsche Courant die in 1778 voor het eerst verschenen was. De Noordhollandsche Courant had succes en kreeg steeds meer lezers. De tegenstand was echter ook groot en uitgever Koning moest zich bij de rechtbank vaak tegen aanklachten verweren. Dat gebeurde in de rechtbank in Hoorn, omdat in die plaats de krant gedrukt werd. Om van dit gedoe af te zijn verplaatste Koning zijn drukkerij naar de Watergraafsmeer, waar hij van de rechtbank gevestigd in het Rechthuis aan de Middenweg, toestemming kreeg voor publicatie van zijn krant.

De Diemer en Watergraafsmeersche Courant
De Diemer en Watergraafsmeersche Courant

Hondsfot

De tegenstand was daarmee echter niet verdwenen. De ‘haat mail’ ging eind 18e eeuw gewoon per brief, maar de inhoud doet modern lasterlijk aan; reaguurders bestonden er kennelijk toen ook al. Eén van de brieven publiceerde Koning in de Diemer- of Watergraaf-Meersche Courant om de “onbezonnenheid” van de briefschrijvers te illustreren. De briefschrijver maakte hem uit voor ‘verdomde schoelje’, ‘landverrader’, ‘schurf’ en ‘hondsfot’; de krant werd letterlijk vervloekt. De redacteur – een dominee – werd beticht van overspel met de vrouw van de koster. Uitgever en redacteur werden uitgemaakt voor ‘schurken’ en ‘verdienen het opgehangen te worden’. Dreigingen waren ook niet van de lucht: “weest op je hoeden, eer gij het weet zal uw huis aan alle vier de hoeken in brand staan”.

Verbod

Het Rechthuis in 1786
Het Rechthuis in 1786

In 1783 werd in de zoveelste rechtszitting de Diemer en Watergraaf-Meersche Courant verboden. Binnen een week begon Koning een nieuwe krant, de Nederlandsche Courant, maar voor publicatie hiervan was nog geen toestemming gegeven. Toen de eerste exemplaren van de persen rolden en vervoerd werden naar Amsterdam, werden paard en wagen staande gehouden en naar het Rechthuis  aan

de Middenweg gebracht. De eigenaar van het paard en de wagen mocht na een paar uur weer gaan; de kranten werden verbeurd verklaard en vernietigd. Zo leek er een definitief einde te zijn gekomen aan de roemruchte Diemer en Watergraaf-Meersche Courant, die tot ver buiten de Watergraafsmeer gelezen werd.

De Oranje-aanhangers ont-vingen het bericht over het verbod met groot gejuich. In spotschriften werd de Cou-rant gehekeld, dat “stinken-de lijk dat zelfs bij zijn Leven de geheele Holland-sche lucht door zijn adem besmet”. Niettemin draaide de gemeenteraad van de Watergraafsmeer het

rouwcourant

besluit tot verbod – onder strikte voorwaarden – weer terug. De Nederlandsche Courant mocht weer verschijnen. Hermanus Koning was echter niet geneigd zijn toon te mastigen. Een artikel met kritiek op het bestuur van Amsterdam leidde de definitieve ondergang in. In 1787 werd ook de Nederlandsche Courant verboden.

Hongerwinter

In de 19e eeuw raken de buitenplaatsen en hun luisterrijke tuinen steeds meer in verval. De economische neergang zorgde er voor dat de buitens verwaarloosd werden en aan het einde van de 19e eeuw rukt de stad ook steeds meer op. Tot die tijd waren de Middelweg en Cruysweg de belangrijkste wegen in de Watergraafsmeer. De straatnamen veranderde toen er iepen en linden langs de twee wegen werden gepland. Een weg voorzien van een rij bomen werd altijd een laan genoemd. Voortaan was het dus de Middellaan en de Kruislaan. Lang duurde de naamsverandering voor de Middellaan niet; het werd al snel Middenweg. De Kruislaan bleef een laan, ook al werden in de hongerwinter 1944/45 alle 800 bomen langs de laan omgehakt om als haardhout te dienen bij gebrek aan andere brandstof nodig tegen de extreme kou.

Hans Buis

Johannes Burman

Eén van de bewoners van een buitenhuis op de hoek van de Middenweg en de Kruislaan was Johannes Burman, hoogleraar botanie en nauw betrokken bij de Amsterdamse Hortus Botanicus, de medicinale plantentuin van de stad. Burman bewoonde de hofstede Midden-Meer en hield daar ook veel zeldzame planten. Lees meer over de rol van Burman bij de Hortus in Rijk, scherpzinnig en beleefd.

De intocht van Napoleon, rechts de limietpaal

In 1811 trok keizer Napoleon met een groot gevolg over de Middenweg naar Amsterdam. Het bestuur van de Watergraafsmeer verwittigde de inwoners van de komst van Napoleon. De bewoners van de Watergraafsmeer werden opgeroepen “deelgenoten te worden van de algemene vreugde” die dit bezoek met zich mee zou brengen. Lees meer over het bezoek van Napoleon aan Amsterdam in Napoleon en de limietpalen van Amsterdam.

SC Voorland

Een aantal namen van buitenplaatsen leeft nog steeds voort in de Watergraafsmeer. De naam van de voetbalclub SC Voorland verwijst naar de buitenplaats met die naam.

Buitenrustpad
Middelhoffstraat
Rusthofstraat
Vrijheit Blijheit Pad

Enkele straten vlakbij het Amstelstation werden in 1947 ook genoemd naar buitenplaatsen: Overzichtweg, IJslandtpad. Rosendaalstraat, Belvedereweg. Rusthofstraat, Starrenboschstraat, Buitenrustpad. Manenburgstraat, Vrijheit Blijheitpad, De Peerelstraat. Swedenrijkpad. Somerlustpad, Middelhoffstraat, Rusthofpad en Zorgwijkstraat.

Frankendael nu

Tegenwoordig doet Frankendael dienst als vergader-, feest- en trouwlocatie en is er een restaurant in gevestigd. dat genoemd is naar één van de laatste bewoners van Frankendael, stadsarchitect Ben Merkelbach. De kas van de voormalige stadskwekerij is ook al in bezit genomen door een restaurant, kortweg De Kas geheten. De Kas en het daartegenover liggende café aan de Middenweg, Elza’s, vormden het decor van de roman Het Diner van Herman Koch.

Bronnen:

  • J.H. Kruizinga, Watergraafsmeer. Eens een parel aan de kroon van Amsterdam. Allert de Lange, Amsterdam 1948
  • J.H. Kruizinga, Frankendael, een hofstede in de hoofdstad, Zaltbommel, 1992
  • J.H. Kruizinga, Hermanus Koning: Zeer gehaat drukker. In: De Speelwagen nr. 4, 1953
  • A. Hendriksen, Watergraafsmeer, binnenzee, polder, lustoord, stadsdeel. Amsterdam 1998
  • David van Zeggeren, Frankendael, een buiten binnen; in: Het verlangen naar buiten: Amsterdam en het ommeland. Erfgoedstudies, studiejaar 2009 – 2010. Universiteit van Amsterdam, Amsterdams Historisch Museum, Staatsbosbeheer, 2010
  • Peter de Brock, De laatste bewoner van het laatste huis. Huize Frankendael: van buitenplaats tot trouwlocatie. In: Ons Amsterdam, maart 2003