De Grensstraat en de annexaties door Amsterdam

Tussen de Wibautstraat en de Weesperzijde ligt de Grensstraat. De naam van deze straat is niet toevallig, want ooit lag hier de grens tussen Amsterdam en buurgemeente Nieuwer-Amstel, tegenwoordig beter bekend als Amstelveen. Een deel van Oost hoorde tot 1896 niet tot het Amsterdamse grondgebied – grote delen van De Pijp, Kinkerbuurt en Amsterdam-Zuid trouwens ook niet. In de 19e eeuw wilde Amsterdam er graag veel grondgebied bij krijgen om woningen te kunnen bouwen of om – zoals het stadsbestuur zelf beweerde - wantoestanden rond woningbouw in buurgemeenten te voorkomen. Die stadsuitbreiding ging echter niet altijd even makkelijk.

De grenzen van de gemeente Nieuwer Amstel zoals die tot 1896 bestonden.
De grenzen van de gemeente Nieuwer Amstel zoals die tot 1896 bestonden.

Door de eeuwen heen heeft Amsterdam altijd delen van andere gemeenten of soms zelfs hele gemeenten ingelijfd. Dat werden stadswijken waar nu niemand meer weet dat de wijk ooit een zelfstandige gemeente is geweest. Eeuwenlang was er vooral een strijd tussen Amsterdam en het aanpalende Nieuwer-Amstel. De annexaties begonnen al snel na het ontstaan van Amsterdam. In 1278 was het ambacht Aemstelle (Amstelland) ontstaan. (Een ambacht was een bestuurlijk, rechtelijk en waterstaatkundig gebied.) Rond 1300 scheidde Amsterdam zich daarvan af, toen het stadsrechten had gekregen. Het ambacht Nieuwer-Amstel splitste zich ook af van Aemstelle en zou nog lang een bestuurlijke

tegenspeler van Amsterdam blijven. In 1342 en 1387 lijfde Amsterdam een deel van Nieuwer-Amstel in. In 1489 volgde een nieuwe uitbreiding met het buurtschap Oetewaal, dat lag waar nu dierentuin Artis te vinden is (zie ook:  Napoleon en de limietpalen van Amsterdam).

Ban- en vangrecht

In de 14e eeuw werden limietpalen en banpalen opgericht om de grens van Amsterdam zichtbaar te maken. Limietpalen gaven de grens van de stad aan. Die grens lag 100 roeden (ongeveer 375 meter) buiten de stadsmuren. De banpalen hadden te maken met het zogeheten ban- en vangrecht. Binnen de bangrens, dus nog buiten de stadsmuren, had Amsterdam het recht verdachten op te pakken (vangrecht) en veroordeelden tot buiten dit gebied te verbannen (banrecht). De bangrens lag zo’n vier kilometer buiten de stadsmuren; om precies te zijn 1000 roeden gerekend vanaf de stadsgrens die 100 roeden vanaf de stadsomwalling lag. Vanaf 1544 werd de bangrens vastgesteld op één mijl – zo’n 7,5 kilometer - buiten de stadsgrens. Banpalen werden daarna vaak mijlpalen genoemd.

Knellende grenzen

Gemeentewet 1851 Thiorbecke

Vanaf het einde van de 17e eeuw vond er geen noemenswaardige stadsuitbreiding van Amsterdam meer plaats. In 1795 krijgen de gebieden rond Amsterdam ook een gemeentebestuur. In 1821 werden de grenzen tussen de verschillende gemeenten exact vastgelegd en die volgden redelijk de grens die de limietpalen aanhielden. De grens van Amsterdam lag dus nog steeds niet ver van de stadswal, zeg maar de huidige Singelgracht. Die situatie zou tot het einde van de 19e eeuw voortduren toen Amsterdam begon aan zijn tweede Gouden Eeuw en de stad explosief groeide. (Wat dit inhield is terug te vinden in Het ontstaan van Oost: De ellendigste straten met de edelste namen).

Bij die uitbreiding van Amsterdam naar het zuiden werd de grens met andere gemeenten als knellend en een sta-in-de-weg ervaren. Door de

Gemeentewet van 1851 waren alle gemeenten in Nederland aan elkaar gelijkgesteld. Amsterdam kon haar macht als stad niet langer doen gelden buiten de gemeentegrens. Annexatie van grondgebied was de logische stap om aan verdere stadsuitbreiding te doen.

Ring

In het landelijke gebied aan de zuidrand lag, als een ring om Amsterdam heen, de gemeente Nieuwer-Amstel. Het stuk Nieuwer-Amstel in Oost was niet meer dan een smalle strook land, de Overamstel polder.

Kaart 2 19e deel eeuwse annexaties

De grens liep ten zuiden van het Oosterpark, langs de tegenwoordige Vrolikstraat en – jawel – de Grensstraat. Iets naar het zuiden hield Nieuwer-Amstel bij de Ringvaart al weer op. Daar lag de grens met de gemeente Watergraafsmeer. In het verlengde van de Grensstraat, liep de grens aan de andere kant van de Amstel verder door wat we tegenwoordig kennen als De Pijp, even ten zuiden van het Sarphatipark (de Binnendijksche en Buitenveldersche polder). Het Roelof Hartplein, het Concertgebouw en grote delen van het Vondelpark lagen op het grondgebied van Nieuwer-Amstel. In het westen strekte de gemeente zich uit tot aan de Korstverlorenvaart. Veel meer naar het zuiden lag de eigenlijke kern van Nieuwer Amstel: Amstelveen.

Argusogen

Amsteldijk 1813, naar het zuiden gezien.
Amsteldijk 1813, naar het zuiden gezien.

Het gebied buiten de stadswallen was lange tijd zeer landelijk (links de Amsteldijk in 1813 op het grondgebied van Nieuwer-Amstel), maar werd eind 19e eeuw in snel tempo volgebouwd. Dat gebeurde zowel aan de Amsterdamse als aan de Nieuwer-Amstel kant van de grens. Amsterdam keek met argusogen naar de bouwactiviteiten aan de andere kant van de grens. In deze tijden van liberalisme bemoeide het Amsterdamse

gemeentebestuur zich maar mondjesmaat met het sturen van de stadsuitbreiding, maar Nieuwer-Amstel deed hoegenaamd nog minder. Het ophogen van straten om ze boven polderniveau te brengen, gebeurde in Amsterdam vanaf 1873 altijd. In Nieuwer-Amstel was dit niet steevast het geval. Het op polderniveau brengen was nodig omdat anders het water niet goed kon weglopen; de nieuwe wijken zouden anders onder water komen te staan. Riolering werd in Nieuwer-Amstel ook niet altijd aangelegd. Afvalwater werd in sloten geloosd waardoor ze vervuild raakten. Gevallen van cholera werden aan de vervuiling van sloten toegeschreven.

Gebrek aan kennis

Nieuwer-Amstel was ook minder sturend omdat de gemeente daar vanwege de geringe omvang niet toe in staat was. De gemeente had niet veel geld en het ambtenarenapparaat ontbeerde de technische kennis die nodig is om bijvoorbeeld wegen en riolering aan te leggen of te controleren of een aannemer, die dit namens de

Ophoging van de Alexander Boersstraat door de gemeente Nieuwer-Amstel. De straat is genoemd naar een burgemeester van Nieuwer-Amstel.

gemeente uitvoerde, dit wel naar behoren deed. (Op de foto: de ophoging van de Alexander Boersstraat vlak bij het Concertgebouw, door gemeente Nieuwer-Amstel. De straat is genoemd naar een burgemeester van Nieuwer-Amstel). Amsterdam was ook bang dat er door de gebrekkige controle krotwoningen zouden ontstaan, net over de grens van de stad.

Voor Amsterdam waren dit redenen om grote delen van Nieuwer-Amstel te willen inlijven. Het zou de gezondheid ten goede komen. Maar Amsterdam duldde ook geen alsmaar groeiende stad zo vlak over de grens, waarvan de bewoners wel profiteerden van de stad, maar er geen belasting betaalden. Nieuwer-Amstel had halverwege de tweede helft van de 19e eeuw ongeveer 24.000 inwoners die vooral net buiten de grens met Amsterdam woonden. Amsterdam was toen met ongeveer 360.000 inwoners weliswaar veel groter, maar de omvang van Nieuwer-Amstel was toentertijd te vergelijken met steden als Zwolle, Den Bosch en Delft.

Geen behoefte

Onderhandelingen tussen Amsterdam en Nieuwer-Amstel over grenswijzigingen vonden voor het eerst plaats in 1875. Nieuwer-Amstel liet de grote buur weten “geen behoefte” te hebben aan andere grenzen. Pas in 1877 werd er verder gepraat. Voorstellen en tegenvoorstellen kwamen op tafel. Amsterdam wilde de delen die direct aan de stad grensden en waar al veel woningen stonden, inlijven. Nieuwer-Amstel wilde compensatie voor het afstaan van het gebied dat Amsterdam graag wilde hebben. Amsterdam moest dan een ander deel van haar grondgebied afstaan aan Nieuwer-Amstel. Voor Amsterdam betekende dit geen uitbreiding van de stad maar een grondruil. De gemeenteraad van Amsterdam wees met kracht de voorstellen van de kleinere buur van de hand. Conclusie was dat er voorlopig van een uitbreiding van Amsterdam geen sprake was.

Hogere belasting

De provincie wilde ook niet dat Amsterdam er een flink stuk Nieuwer-Amstel bij kreeg, maar een minder aanzienlijke uitbreiding van Amsterdam stond de provincie wel voor, zoals bleek uit een voorstel dat ze deed in 1880. Nieuwer-Amstel weerde zich hier tegen echter heftig. Inwoners van de gemeente – vaak weggetrokken uit het overvolle Amsterdam - waren bang meer belasting te moeten betalen na de inlijving door Amsterdam waar de lokale belasting veel hoger was. Ook de hoogte van belasting die recht gaf of stemrecht, lag in Amsterdam hoger. Er zou dus meer belasting betaald moeten worden en tegelijkertijd ging voor velen toch het kiesrecht verloren.

Minister van Binnenlandse Zaken Willem Six
Minister van Binnenlandse Zaken Willem Six

In januari 1882 diende minister van Binnenlandse Zaken Willem Six een wetsontwerp in waarin de gemeentegrens van Amsterdam flink naar het zuiden werd verlegd. Hij ging daarbij verder dan de voorstellen van de provincie. Hij begreep het probleem van de expansie van de stad maar al te goed en hij volgde in zijn wetsontwerp dan ook de veel verdergaande voorstellen van het gemeentebestuur van Amsterdam.

 

Het verzet van Nieuwer Amstel had echter succes. In een eenregelige brief laat de minister in april 1882 de Tweede Kamer weten het wetsontwerp “tot verandering van de grens tuschen Amsterdam en Nieuwer-Amstel in te trekken”. Overigens werd dit gedaan door minister Pijnacker Hordijk, opvolger van Six. De minister zag in dat het voorstel geen meerderheid in de Tweede Kamer zou krijgen.

Hartgrondig oneens

De discussie over annexatie was daarmee niet ten einde. In 1884 bekeek de provincie opnieuw een mogelijke grenswijziging. Zelfs de burgemeester van Nieuwer-Amstel kwam met het voorstel de noordkant van de gemeente maar aan Amsterdam te laten. De gemeenteraad van Nieuwer-Amstel was het daar hartgrondig mee oneens. De raad liet de provincie weten niets van een grenswijziging te willen weten. De provincie bracht vervolgens het oude wetsontwerp van Six weer naar voren. In 1886 liet minister Heemskerk – opvolger van Pijnacker Hordijk - echter weten dit voorstel van de provincie niet als wetsontwerp aan de Tweede Kamer te sturen.

Twee uit Amsterdam afkomstige Tweede Kamerleden gingen hierover het debat aan met minister Heemskerk. Zij betoogden dat Nieuwer-Amstel bestaat uit “eene plattelandsgemeente bestaande uit eenige van elkander verwijderde buurtschappen, en uit drie buitenwijken van de stad Amsterdam”. Het stadse gedeelte van Nieuwer-Amstel zou daarom bij Amsterdam gevoegd moeten worden. De meerderheid van de Tweede Kamer was hier echter niet voor te porren.

Overwinningsroes

Nieuwer-Amstel verkeerde in een overwinningsroes en besloot in 1886 vol zelfvertrouwen een nieuw stadhuis te bouwen aan de Amstel (afbeelding rechts). In 1892 was dit nieuwe stadhuis klaar. Het lag bepaald niet centraal in de gemeente, maar met opzet zeer dicht bij de grens met Amsterdam. Lang duurde dit vertoon van onaantastbaarheid van Nieuwer-Amstel niet. In 1894 presenteerde de provincie weer een nieuw annexatieplan. Dat was

Het raadhuis van Nieuwer-Amstel
Het raadhuis van Nieuwer-Amstel

nog ingrijpender dan het voorstel van 1882. Dit keer waren provincie en minister van Binnenlandse Zaken Samuel van Houten het roerend met elkaar eens. De tijden waren snel veranderd en een uitbreiding van Amsterdam werd als onvermijdelijk en zelfs noodzakelijk gezien. De minister schrijft aan de Tweede Kamer: “In de dertien jaren, sedert verloopen (na 1882), hebben de bezwaren, uit de bestaande regeling der grenzen van Amsterdam voortvloeiende, zich in steeds toenemende mate doen gevoelen”. Amsterdam was binnen de bestaande grenzen aan het einde van haar groei gekomen. Op bijna natuurlijke wijze was de stad gewoon aan de andere kant van de grens doorgegroeid. De minister betoogde dat op deze manier een groot deel van de bevolking van Nieuwer-Amstel “geniet van de voordeelen” die Amsterdam biedt, zonder dat ze er voor betalen. In wat stedelijke ontwikkeling genoemd kon worden, was die gemeentegrens een toevallig ooit getrokken lijn geworden. “Op het gebied van de gemeente Nieuwer-Amstel hebben zich reeds nu belangrijke Amsterdamsche wijken gevormd, die slechts door eene denkbeeldige lijn van de hoofdstad zijn gescheiden en in oeconomische zin een parasietisch bestaan leiden”, zo liet minister Van Houten de Tweede Kamer weten. Provincie en minister vonden het niet langer goed dat wat als één stad aanvoelde door twee gemeenten bestuurd moest worden. De Tweede Kamer ging akkoord. Slotsom was dat in 1896 grote delen van Nieuwer Amstel eindelijk bij Amsterdam werden gevoegd.

Het vier jaar daarvoor in gebruik genomen stadhuis van Nieuwer-Amstel kwam hierdoor op Amsterdams grondgebied te liggen. In Oost werd de grens van Amsterdam verlegd van de Vrolikstraat en de Grensstraat naar de Ringdijk. De grens in Zuid kwam te liggen bij de huidige Ringweg A10. Door deze grenswijziging kwamen er in Amsterdam in één klap 25.126 inwoners, waaronder 1.890 kiezers, bij. Daar stond tegenover dat het inwoneraantal van Nieuwer-Amstel daalde van ruim 30.000 naar 5.500.

Hans Buis

Wapen Amstelveen

Bij een volgende veel grotere uitbreiding van Amsterdam in 1921 kwam de gemeentegrens met Nieuwer-Amstel bij de Kalfjeslaan te liggen. Daar ligt nu nog steeds de grens tussen Amsterdam en Amstelveen. In 1964 werd de naam Nieuwe-Amstel veranderd in Amstelveen. (Links het wapen van Nieuwer-Amstel / Amstelveen).

Afslag Watergraafsmeer

In het Kamerdebat over de annexatie van grote delen van Nieuwer-Amstel in 1895 werd door tegenstanders naar voren gebracht dat het voorstel de autonomie van gemeenten aantastte. De grenzen tussen gemeenten verleggen omdat Amsterdam letterlijk tegen de gemeentegrens aanliep, werd als een oplossing gezien die weldra weer toegepast zou moeten worden. Binnen de kortste keren zou Amsterdam tegen de nieuwe gemeentegrens aanlopen, zo werd

gezegd. Dat gebeurde inderdaad. In 1921 werd de gemeente Watergraafsmeer bij Amsterdam getrokken.

Raadhuis Nieuwer Amstel

Het oude raadhuis van Nieuwer Amstel (het latere Amstelveen) was van 1914 tot 2007 in gebruik door het Amsterdamse Gemeentearchief. In 2007 verhuisde het archief naar het gebouw De Bazel, aan de Vijzelstraat, genoemd naar de architect van het gebouw, Karel de Bazel. Vanaf de oplevering in 1926 was dit grote pand tussen Herengracht en Keizersgracht in gebruik bij de Nederlandsche Handel-Maatschappij, opgericht in 1824 voor de handel met Nederlands Indië. De naam leeft ook nog voort in de ondertitel van Multatuli’s Max Havelaar: of de koffi-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappy uit 1860. In 1964 kwam een

fusie met de Twentsche Bank tot stand en werd de nieuwe naam Algemene Bank Nederland, ABN. Na nog een fusie in 1991 omgedoopt tot ABN-AMRO. In 1999 verliet de ABN-AMRO De Bazel, zodat na een grondige verbouwing het Gemeentearchief Amsterdam er in 2007 in kon trekken. Na de verhuizing veranderde het archief haar naam in Stadsarchief Amsterdam. In 1913 werd in Kerkrade een nieuw raadhuis in gebruik genomen dat sterk lijkt op het stadhuis van Nieuwer-Amstel, ook al is het niet van dezelfde architect afkomstig.

Bronnen:

  • J.P. Janse, De wet kent geen steden. Negentiende-eeuwse stadsgroei van Amsterdam en annexatie van het noordelijke deel van Nieuwer-Amstel. In Amstelodamum Jaarboek 84 (1992), pagina 159 - 176.
  • Theo Bakker, Stadsuitbreiding 1877 - 1921. Topografische bijzonderheden van de Amsterdamse stadsuitbreidingen en sporen van polderbebouwing in de geannexeerde gebieden. www.theobakker.net/pdf/annexaties.pdf.
  • J.H. Kruizinga, Watergraafsmeer. Eens een parel aan de kroon van Amsterdam. Allert de Lange, Amsterdam 1948.
  • Ton Heijdra, Stomweg gelukkig in de Dapperstraat. De geschiedenis van Dapperbuurt, Weesperzijdestrook en Transvaalbuurt. De Milliano Alkmaar 1996.
  • Erik van Kempen, In de ban van Amsterdam; in: het verlangen naar buiten; Amsterdam en het ommeland. Erfgoedstudies, studiejaar 2009 - 2010. Universiteit van Amsterdam, Amsterdams Historisch Museum, Staatsbosbeheer. 2010.
  • Fanta Voogd, De vergeten banpaal van Rembrandt. In: Ons Amsterdam nummer 2; februari 2005.