Burmanstraat — Rijk, scherpzinnig en beleefd

Johannes Burman volgt in 1731 Casper Commelin op als hoogleraar plantkunde verbonden aan de Hortus Botanicus, de medicinale plantentuin van de stad Amsterdam. Veel tijd schijnt Burman niet kwijt te zijn geweest aan het hoogleraarschap; het leverde hem wel een goed inkomen op. Een tijdgenoot noemde hem ‘rijk, scherpzinnig en beleefd’Wie was deze Johannes Burman,                                                                 waar de Burmanstraat en de Burmandwarstraat naar genoemd is?

Johannes Burman
Johannes Burman

In 1731 kwamen achter elkaar de twee hoogleraren die de Hortus Botanicus toen rijk was, te overlijden: Frederik Ruysch in de hoge leeftijd van 93 jaar en Casper Commelin, 63 jaar oud. Daarmee kwam ook een einde aan de luxe van twee hoogleraren plantkunde van de stad Amsterdam (zie Naar welke Commelin is de Commelinstraat genoemd?). Voortaan moest de functie vervuld worden door één persoon. Deze persoon werd Johannes Burman (1706 – 1779). Hij was in Leiden in 1728 gepromoveerd bij Herman Boerhaave op een proefschrift over de lymfevaten. Dat orgaan had Frederik Ruysch wereldberoemd gemaakt vanwege zijn anatomische kunsten (lees daar meer over in De klapvliezen van Frederik Ruysch). Het was dan ook niet verwonderlijk dat Burman als assistent bij Ruysch in dienst trad, al meteen in het jaar van zijn promotie.

Toen - twee jaar later -  in 1731 hoogleraar plantkunde aan de Hortus Botanicus werd, was hij pas 25 jaar oud. Hij vervulde deze functie tot 1777.

In 1755 komt er een belangrijke wijziging in zijn aanstelling, al is daar in de praktijk van het lesgeven niet veel van te merken. Voortaan is de hoogleraar plantkunde van de Hortus Botanicus ook hoogleraar aan het Athenaeum Illustre. Dat betekende dat ook studenten in de medicijnen de lessen in de Hortus gingen volgen. Gevolg was ook dat er een nauwere band ontstond tussen de voor-wetenschappelijke opleiding aan het Athenaeum - de voorloper van de Universiteit van Amsterdam - en de Hortus. Een band die heel lang bleef bestaan.

Keukenhof

Johannes Burman was niet de enige die zich opvolger van Frederik Ruysch kon noemen. Het werk dat Ruysch had verzet was zeer veelzijdig. Naast zijn hoogleraarschap plantkunde, vervulde hij nog zeker vijf andere functies. Willem Röell volgde Ruysch op als hoogleraar anatomie, hoogleraar chirurgie, stadsvroedmeester, doctor van het Gerecht (lijkschouwer) en docent van de vroedvrouwen. Behalve in de anatomie stelde Röell ook veel belangstelling in de plantkunde. Om dat laatste verder vorm te geven kocht Röell in Lisse een buitenplaats: de Keukenhof. Röell kon het goed vinden met Johannes Burman. Dat bleek ook toen hij in 1757 aan Johannes Burman een bijzonder cadeau gaf.

Willem Roell
Willem Roell

Het was een herbarium (verzameling gedroogde planten in een boek) dat vol stond met planten die rond Kaap de Goede Hoop in Zuid-Afrika te vinden waren. Tot dan toe had nog niemand de hand weten te leggen op dit herbarium.

Opvallend

voorkant publicatie burman

Johannes Burman was een waardig opvolger van zijn voorgangers Jan en Casper Commelin. Hij verzorgde niet minder dan zeven publicaties met beschrijvingen van planten. Twee daarvan gingen over de planten op Ceylon (het tegenwoordige Sri Lanka) en Zuid-Afrika. Van het bereizen van de wereldzeeën door de Oost-Indische Compagnie werd dankbaar gebruik gemaakt om aan planten uit verre oorden te komen. Opvallend genoeg hadden de zeven publicaties niet de planten van de Hortus tot onderwerp. De beschreven planten waren soms wel te vinden in de Hortus, maar voor een belangrijk deel ook niet.

Burman had ook een eigen plantkundige bibliotheek die veel uitvoeriger was dan die van de Hortus. Daarnaast beschikte hij privé ook over een verzameling van afbeeldingen van planten en een herbarium. Johannes Burman zorgde er wel voor dat de collectie van de Hortus gestaag werd uitgebreid. De stadhistorieschrijver Jan Wagenaar gaf in zijn beroemde geschiedkundige werk Amsterdam in zijn opkomst …. een beschrijving van hoe de Hortus Botanicus er rond 1760 uitzag, waaruit de groei van het aantal planten in de Hortus goed bleek.

Diemermeer

Johannes Burman wijdde zich vaker aan privézaken in werktijd. Hij bezat een eigen botanische tuin in een buitenplaats in het Diemermeer bij de Kruisweg (tegenwoordig de Middenweg en de Kruislaan). Deze buitenplaats ging door als een van de mooiste buitens van Amsterdam. “Hier waren lanen van bomen, zo dik, dat ik ze niet kon omspannen, die de professor zelf gepland had”, schrijft een bezoeker aan de buitenplaats in 1759. De bezoeker vroeg zich ook af wat de professor zoal deed op een dag. Naast zijn werk in de Hortus had hij een groot aantal patiënten. Dat kon ook makkelijk, oordeelde de bezoeker, omdat de “voorlezingen … niet veel tijd in beslag namen.” De bezoeker achtte Burman dan ook een rijk man. Hij verdiende als hoogleraar bij elkaar tweeduizend gulden per jaar en had daarnaast nog inkomsten uit de zorg voor zijn patiënten. De bezoeker was lovend over de geleerdheid van Johannes Burman: “Hij ziet er scherpzinnig uit en spreekt weinig. Mij bewees hij veel beleefdheid.”

Zweedse botanicus

Linnaeus
Linnaeus

Burman had veel interesse in de indeling en naamgeving van plantensoorten die door de Zweedse botanicus Linnaeus werd ontwikkeld. In 1735 vestigde Linnaeus zich enige tijd in Amsterdam. Na een bezoek aan de Hortus, al meteen op de eerste dag na zijn aankomst, bood Johannes Burman hem onderdak aan in zijn eigen huis. Burman liet hem gebruik maken van zijn omvangrijke bibliotheek en stelde Linnaeus zo in de gelegenheid zijn theorieën over de indeling van planten verder te ontwikkelen. Burman introduceerde Linnaeus ook in de wereld van de plantkundigen in de Republiek van de Verenigde Nederlanden, zoals bij Willem Röell en Herman Boerhaave.  Nadat Linnaeus de indeling en naamgeving van planten verder ontwikkeld had – dat gebeurde pas definitief in 1753 – was Johannes Burman de eerste om deze nieuwe

indeling en naamgeving in 1755 te gebruiken in zijn publicatie Auctuarium op het Ambonische kruydboek. (Lees meer over Linnaeus in Een pedante vernieuwer van de plantkunde.)

De geranium

In 1777 volgde Nicolaas Burman (1733 – 1793) zijn vader Johannes Burman op als hoogleraar plantkunde verbonden aan de Hortus. Hij promoveerde in 1759 op de geranium en volgde ook enige tijd onderricht in Uppsala, de Zweedse universiteit waar Linnaeus ondertussen hoogleraar was. De rollen waren nu omgekeerd. Linnaeus ontfermde zich over de jonge Burman, zoals hij volop de aandacht had genoten van Johannes Burman, toen hijzelf als jonge man in Amsterdam verbleef.

Als het om publicaties ging was zoon Nicolaas minder productief dan zijn vader. Hij werkte wel aan een belangrijk werk, de Flora Indica, een overzicht van de flora in Oost- en West-Indië. In 1768 werd het boek gepubliceerd en ook toegestuurd aan Linnaeus in Uppsala. Deze had echter nogal wat kritiek op het werk. Het bevatte weinig nieuws. Niettemin had Linnaeus niet geschroomd delen van het manuscript van Burman onder eigen naam te publiceren in één van zijn eigen werken. Tot problemen tussen beiden heeft dit niet geleid.

Na de Flora Indica heeft Nicolaas Burman niet veel meer publicaties verzorgd. Ook een nieuwe catalogus van de Hortus Botanicus werd niet

Nicolaas Burman
Nicolaas Burman

vervaardigd. Zijn depressieve persoonlijkheid en zijn slechte gezondheid lagen hier aan ten grondslag. Uiteindelijk was hij vanwege financiële problemen ook gedwongen de buitenplaats in het Diemermeer te verkopen.

Bloeiperiode ten einde

Hiermee kwam eind 18e eeuw een eind aan de grote bloeiperiode van de Hortus Botanicus. Joan Huydecoper en vooral Jan Commelin hadden de grondvesten vanaf 1682 stevig neergezet. In korte tijd had de Amsterdamse Hortus wereldfaam verworven. Dat werk werd voortgezet door Casper Commelin, die tot 1731 hoogleraar aan de Hortus was. Daar werd nog verder op voortgeborduurd door Johannes Burman. Ook zoon Nicolaas Burman droeg nog een steentje bij. Maar al snel nam de glans van de Hortus af. Publicaties verschenen er niet meer en het aanzien van de hoogleraren nam aanzienlijk af. Aan een bloeiperiode van ongeveer honderd jaar kwam een einde.

Hans Buis

Bloem Hortus Botanicus Amsterdam

In 1638 ontstond in de stad Amsterdam de Hortus Botanicus. Een aantal straatnaamgevers is nauw verbonden geweest met deze instelling. Het gaat dan vooral om Frederik Ruysch, Jan Commelin, zijn neef Casper Commelin, Johannes Burman en zijn zoon Nicolaas Burman. Hun gezag over de Hortus bestrijkt de periode van 1682 tot 1693. Het reilen en zeilen van de Hortus in deze periode is terug te vinden in twee verhalen: dit verhaal over de Burmans en de periode die daar aan vooraf ging, in Naar welke Commelin is de Commelinstraat genoemd.

Hortus 375

In het jaar dat Amsterdam uitbundig 400 jaar Grachtengordel vierde, 2013, bestond de Hortus Botanicus 375 jaar. De planten kunnen nog steeds iedere dag bewonderd worden. Daar zijn er meer dan 7000 van. Er zijn rondleidingen, er is een speciaal programma voor kinderen en er zijn themaroutes door de tuin.

In 1986 dreigde de Hortus gesloten te worden. De banden met de Universiteit, die er al sinds de 18e eeuw waren, werden verbroken. Dat de Hortus nog steeds bestaat is te danken aan de inzet van een groot aantal inwoners van Amsterdam en daarbuiten. Uiteindelijk werd de Stichting Hortus Botanicus opgericht en bleef de plantentuin behouden. Daarnaast is er een Vereniging van Vrienden van de Amsterdamse Hortus, met meer dan 8000 leden. Voor meer informatie over de Hortus Botanicus: www.hortus.nl.

 

Bronnen:

  • D.O. Wijnands, E.J.A. Zevenhuien, J. Heniger, Een sieraad voor de stad. De Amsterdamse Hortus Botanicus. 1638 – 1993. Amsterdam University Press. Amsterdam 1994.