Commelinstraat — Naar welke Commelin is de straat genoemd?

Er zijn generaties Commelins actief geweest in Amsterdam. Voor de straatnaam zijn daarvan drie belangrijk. Casper Commelin sr., uitgever van historische werken over Amsterdam, zijn broer Jan Commelin en zijn zoon Casper Commelin jr., die beiden een belangrijke rol vervulden in de geschiedenis van de Hortus Botanicus, de medicinale plantentuin van de stad Amsterdam. Maar naar wie is de straat nu echt genoemd?

De Hortus Botanicus had in de tijd van de Commelins vooral een functie in de opleiding van apothekers. Kennis van planten was in die tijd onderdeel van de leerstof van apothekers. Het herkennen van planten was onderdeel van het examen van apothekers dat in de Hortus werd afgenomen. Aan de Hortus was dan ook een hoogleraar verbonden, in dienst bij de stad Amsterdam en voor een deel betaald uit de inkomsten van de Hortus Botanicus.

Dertien keer burgemeester

Getekende plattegrond vsn de Hortus
Getekende plattegrond vsn de Hortus

In 1682 nam het stadsbestuur het besluit de Hortus te vestigen in wat tegenwoordig de Plantagebuurt heet; het gebied heette toen kortweg de Plantage. Het toeval wilde dat er in die tijd in het stadsbestuur veel wetenschappelijk geïnteresseerden zaten. Zij zaten in de juiste positie – als burgemeester, in de raad en commissies - om snel tot besluiten te komen om de Hortus op deze nieuwe plek te vestigen. De geograaf Nicolaas Witsen en de wiskundige Johannes Hudde waren burgemeester. Joan Huydecoper,

die dertien keer burgemeester was van Amsterdam, was samen met Jan Commelin initiatiefnemer om de Hortus in de Plantage te vestigen. Jan Commelin zelf was overigens ook lid van de raad van Amsterdam. Huydecoper en Commelin werden in 1683 tot commissarissen van de Hortus benoemd. Beide waren zeer geïnteresseerd in de plantkunde en hadden ook privétuinen met vaak exotische planten.

Een jaar na het besluit over de nieuwe vestigingsplaats, in 1683, werden de eerste planten in de Hortus gepland. Dat was nog een hele prestatie omdat het gebied nogal moerasachtig was en er veel grond aangevoerd moest worden om het gebied geschikt te maken voor de groei van planten en kruiden. Er kwam ook een hovenier, die het redelijke salaris van vierhonderd gulden per jaar verdiende en verder recht had op ‘vrij bier, licht (kaarsen) en brandt (olie)’.

Lucratieve handel

Jan Commelin (1629 – 1692) was wat tegenwoordig een self-made man wordt genoemd. Hij kocht medicinale planten en kruiden van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) om ze door te verkopen aan apotheken en ziekenhuizen in de hele Republiek der Verenigde Nederlanden. Dat was een lucratieve handel waar Jan Commelin een vermogend man mee is geworden. Een wetenschappelijke opleiding had hij niet genoten, toch stond hij in hoog aanzien als het om zijn kennis van de plantkunde ging. Frederik Ruysch was in 1685 benoemd tot hoogleraar plantkunde, maar zijn bezigheden in de Hortus beperkte zich tot het lesgeven aan aankomende apothekers. De feitelijke leiding over de Hortus lag bij Jan Commelin. In 1689 gaf hij de eerste catalogus over de planten in de Hortus uit: de Catalogus plantarum Horti Medici Amstellodamensis.

Jan Commelin
Jan Commelin

Jan Commelin zorgde er voor dat de Hortus in tien jaar tijd in hoog aanzien kwam te staan. Goede contacten met andere Horti en met personen met privétuinen lag daaraan ten grondslag. Veel planten waren daarvan afkomstig. Van het bevaren van de wereldzeeën door de VOC werd ook handig gebruik gemaakt om aan exotische planten te komen. De tuin met medicinale planten genoot in die korte tijd dan ook groot internationaal aanzien en was een belangrijke bron voor wetenschappelijk onderzoek en publicaties.

Verzoekschrift

Rembrandt's De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp
Rembrandt's De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp

Burgemeester Huydecoper en raadslid Commelin hadden een specifieke argumentatie om in 1682 de raad van Amsterdam het voorstel  te doen om de Hortus in de Plantage te vestigen. Het ging hen om het bevorderen van de gezondheid van de burgers van Amsterdam. Het onderwijs aan de apothekers was er immers mee gediend. Dezelfde reden werd vijftig jaar daarvoor aangevoerd om de eerste Hortus op te richten.

Dat had toen nog heel wat voeten in de aarde, want het stadsbestuur was niet direct overtuigd. Een verzoekschrift ondertekend door doktoren en apothekers werd afgewezen, ondanks een stevige lobby van Barleus, Vossius en Huygens. Een dood- en verderfzaaiende pestepidemie in 1635, maakte duidelijk dat er nogal wat schortte aan de kennis van apothekers. Het voorgeschreven medicijn tegen de pest had lang niet altijd dezelfde samenstelling, waardoor de bestrijding van deze ernstige epidemie niet effectief was. De opleiding moest beter geregeld worden. Er kwam ook een landelijke verplichting te werken met een receptenboek waarin de samenstelling van een medicijn beschreven werd. Burgemeester Nicolaes Tulp – vooral bekend als chirurg op het schilderij De anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp van Rembrandt – gaf opdracht aan een commissie om tot een dergelijk boek te komen. Bij inspectie van de kennis van het receptenboek bij apothekers bleek ook dat deze zeer te wensen overliet. Voor een goede opleiding was een Hortus Medicus dus onmisbaar. Het werd verplicht de examens van apothekers af te nemen in een Hortus. In Amsterdam was het in 1638 zover. Het eerste examen van een apotheker werd toen in de Hortus afgenomen. Al snel volgden meer examens.

Utrechtsestraat

De eerste Hortus bevond zich in de tuin van het voormalige klooster het Reguliershof, dat toen net buiten de stadsmuren lag. Het hof bevond zich waar tegenwoordig de Keizersgracht en de Utrechtsestraat elkaar kruisen. Het moest daar wijken vanwege de stadsuitbreiding: de aanleg van de grachtengordel in de Gouden Eeuw. De Hortus verhuisde in 1665 naar het Binnengasthuis, om daarna in 1682 in de Plantage weer een nieuwe start te

De Amsterdamse grachtengordel in wording
De Amsterdamse grachtengordel in wording

maken. Het is aan de stagnerende uitbreiding van Amsterdam te danken dat de Hortus Botanicus zich op de plek bevindt waar die nog steeds te vinden is: aan de rand van de Plantagebuurt. Daar was nog ruimte te vinden.

De grachtengordel was in de Gouden Eeuw snel volgebouwd, maar de beoogde sprong over de Amstel wilde niet echt vlotten. De Nieuwe Keizersgracht en de Nieuwe Herengracht kwamen er nog wel, maar het verder doorzetten van de bebouwing stagneerde door de neergang in de economie en de grotere concurrentie van andere, buitenlandse steden. Amsterdam was als vestigingsplaats minder in trek. Het aantal inwoners bleef hangen rond de 210.000, terwijl het in de jaren daarvoor nog met meer dan 50.000 inwoners gestegen was in 12 jaar.

Zo zijn er twee opvallende verschillen tussen de eerste Hortus en de vestiging van de Hortus in de Plantage. De eerste Hortus was een initiatief van artsen en apothekers, waar het stadsbestuur pas na lang aarzelen aan wilde. De Hortus in de Plantage kwam er op initiatief van het stadsbestuur zelf. De eerste Hortus moest wijken voor de stadsuitbreiding. De Hortus in de Plantage kwam er omdat de stadsuitbreiding stokte.

Voetsporen

In 1697 verscheen er een overzicht van de exotische planten in de Hortus, de Horti Medici Amstellodamensis rariorum plantarum historia. Jan Commelin was de belangrijkste schrijver van dit overzicht, maar bij zijn dood was het nog niet helemaal af. Frederik Ruysch en de Haagse apotheker Frans Kiggelaar verzorgden de uiteindelijke publicatie. In 1701 kwam er een tweede deel uit; dit keer geschreven door de neef van Jan, Casper Commelin jr (1668 – 1731). In 1696 was hij door het stadsbestuur benoemd tot botanicus van de Hortus.

CornelisTroost: rechts Cssper Commelin
CornelisTroost: rechts Cssper Commelin

Hij was een in Leiden gepromoveerd medicus en hij oefende dat beroep enige tijd uit in Amsterdam. In 1706 werd hij hoogleraar plantkunde, naast Frederik Ruysch die dezelfde titel mocht dragen. Het hebben van twee hoogleraren – die onderling het werk verdeelden - was een unieke situatie, die ook ophield te bestaan in 1731 toen zowel Casper Commelin als Frederik Ruysch overleden. Casper Commelin werkte dus, net als zijn oom, samen met Frederik Ruysch. Ze hadden ook veel gemeen. Net als Ruysch was Casper Commelin jr. zijn maatschappelijk leven begonnen als apotheker om daarna medicijnen te gaan studeren in Leiden. Beide hadden ook een grote belangstelling voor geneeskrachtige kruiden en planten.

Casper trad in de voetsporen van zijn oom. Hij schreef niet alleen catalogussen – over geneeskrachtige planten – hij breidde de Hortus ook verder uit met nieuwe planten. Daarnaast gaf hij college in de exotische planten en de medicinale werking ervan. Ook onder Casper Commelin bleef de Hortus in hoog aanzien staan. De internationale belangstelling bleef groot vanwege de bijzondere planten in de Hortus.

Traditie

Casper Commelin sr.
Casper Commelin sr.

De derde Commelin, Casper sr. (1636 – 1693) was drukker in Amsterdam. Hij paste daarmee in de traditie van zijn familie. Zijn grootvader, zijn vader en twee van zijn ooms waren ook drukker of boekhandelaar. In 1693 verscheen postuum van zijn hand Beschrijvinge van Amsterdam. Commelin gaf daarin een beschrijving van het nieuwe onderkomen van het gilde van de chirurgijns in het Waaggebouw op de Nieuwmarkt, waar ook de openbare anatomische voortaan werden uitgevoerd. Hoe op dat moment de Hortus er uitzag, valt in dit werk ook na te lezen. Voor dit werk had Casper de unieke mogelijkheid bij de secretarie van Amsterdam brieven in te zien. De Beschrijvinge van Casper was echter niet veel meer dan een bijgewerkte versie van de Beschrijvinge uit 1665,

geschreven door Isaac Commelin, de vader van Jan en Casper. De stadhistorieschrijver van Amsterdam, Jan Wagenaar (inderdaad, van de Wagenaarstraat), had – een kleine driekwart eeuw later - kritiek op het geschiedkundig werk van Casper Commelin. In de ogen van Wagenaar voegde Casper weinig toe aan het werk van zijn vader en was Casper ook nog slordig in het overschrijven.

Wie van de drie?

Naar wie van de drie Commelins is de Commelin straat nu genoemd? Hoewel vergeleken met zijn broer Jan en zijn zoon Casper zijn bijdrage aan de medische wetenschap gering was , is de Commelinstraat toch naar drukker Casper Commelin genoemd. Bijdrage aan de medische wetenschap is ook geen criterium geweest voor de gemeenteraad die in 1896 de straat naar hem vernoemde. De straten in de Dapperbuurt zijn genoemd naar bekende Amsterdamse historici. Tot die categorie hoort Casper sr. wel. De medici zijn te vinden in de Oosterparkbuurt en Weesperzijdestrook. En daar is het nooit tot een Jan of Casper Commelinstraat gekomen.

Hans Buis

Bloem Hortus Botanicus Amsterdam

In 1638 ontstond in de stad Amsterdam de Hortus Botanicus. Een aantal straatnaamgevers is nauw verbonden geweest met deze instelling. Het gaat dan vooral om Frederik Ruysch, Jan Commelin, zijn neef Casper Commelin, Johannes Burman en zijn zoon Nicolaas Burman. Hun gezag over de Hortus bestrijkt de periode van 1682 tot 1693. Het reilen en zeilen van de Hortus in deze periode is terug te vinden in twee verhalen: dit verhaal over de Commelins en het vervolg daarop over de Burmans: Rijk, scherpzinnig en beleefd.

Amstel hotel aan Turlpplein

Nicolaes Tulp, Johannes Hudde, Nicolaas Witsen en Joan Huydecoper hebben ook straatnamen naar zich vernoemd gekregen. Al deze straten bevinden zich in het centrum van Amsterdam. Aan het Professor Tulpplein is het Amstelhotel gevestigd; recht tegenover de ingang van het hotel is de Professor Tulpstraat te vinden. Zijstraten zijn de Huddekade en de Huddestraat. Iets verderop, meer naar het centrum, bevindt zich niet ver van de Nederlandse bank de Huydecoperstraat, die weer uitkomt op de Nicolaas Witsenkade.

portret Ruysch 2

Frederik Ruysch was als hoogleraar belast met het onderwijs aan de praktische beoefenaars van de geneeskunde. Hij gaf ook onderricht aan vroedvrouwen. Dat hield hem echter niet af van zijn andere werk: het conserveren van lichamen en het zichtbaar maken van vatenstelsels in het lichaam, die hij tot in de perfectie doorvoerde. Lees er alles over in De klapvliezen van Frederik Ruysch en onwetendheijdt, bezeulingen en dwalingen.

hortus 375 jaar

In het jaar dat Amsterdam uitbundig 400 jaar Grachtengordel vierde, 2013, bestond de Hortus Botanicus 375 jaar. De planten kunnen nog steeds iedere dag bewonderd worden. Daar zijn er meer dan 7000 van. Er zijn rondleidingen, er is een speciaal programma voor kinderen en er zijn themaroutes door de tuin. In 1986 dreigde de Hortus gesloten te worden. De banden met de Universiteit, die er al sinds de 18e eeuw 

waren, werden verbroken. Dat de Hortus nog steeds bestaat is te danken aan de inzet van een groot aantal inwoners van Amsterdam en daarbuiten. Uiteindelijk werd de Stichting Hortus Botanicus opgericht en bleef de plantentuin behouden. Daarnaast is er een Vereniging van Vrienden van de Amsterdamse Hortus, met meer dan 8000 leden. Voor meer informatie over de Hortus Botanicus: www.hortus.nl.

Bronnen:

  • D.O. Wijnands, E.J.A. Zevenhuien, J. Heniger, Een sieraad voor de stad. De Amsterdamse Hortus Botanicus. 1638 – 1993. Amsterdam University Press. Amsterdam 1994.
  • Luuc Kooijmans, De doodskunstenaar. De anatomische lessen van Frederik Ruysch
  • Maud C.M. Lankester-Marcus, Stedentrots & stedenpracht:kunstenaarsvermeldingen in stadsbeschrijvingen van Noord-Nederlandse steden 1600-1850. 2013 - RKD Monographs. http://rkdmonographs.preview. angelfish.altcontrol.nl/