Linnaeusstraat (2) — De drie levens van een zeer markant gebouw

Het meest markante gebouw aan de Linnaeusstraat werd als Burgerziekenhuis geopend in 1891. Daarna is het gebouw twee keer van bestemming gewisseld en is er flink verbouwd. Aan de buitenkant is nauwelijks iets veranderd, als was het een monument waar niets aan mag veranderen. Zo wordt het kenmerkende gebouw aan de Linnaeusstraat kennelijk gezien. Het is dan ook een gebouw dat een rijke geschiedenis met zich mee torst.

Vanaf de opening in 1891 stond het Burgerziekenhuis aan de Linnaeusstraat al meteen in een hoog aanzien (zie voor deze geschiedenis Het legendarische Burgerziekenhuis aan de Linnaeusstraat). Dat gold ook voor de in het ziekenhuis opgezette opleiding voor verpleegsters. Al direct in 1891 startte de net aangetreden geneesheer-directeur Bernhard Hendrik Stephan met die eigen opleiding, die bestond uit drie jaar werken in het ziekenhuis en daarnaast het volgen van theoretische lessen. Dit alles werd afgesloten met een erkend examen. In 1894 kregen de eerste verpleegsters hun diploma; velen zouden er daarna nog volgen. Stephan was ook betrokken bij de oprichting van de Nederlandsche Bond voor Ziekenverpleging, die de verpleegstersopleidingen en examens aan de Nederlandse ziekenhuizen ging keuren.

Voortdurend financiële zorgen

Het Burgerziekenhuis rond 1900
Het Burgerziekenhuis rond 1900

Al deze positieve ontwikkelingen voorkwamen echter niet dat er voortdurend financiële zorgen waren. Jaar na jaar was er een tekort. De kosten waren hoger dan de inkomsten. Zo werden er in 1897 in het hele jaar 784 patiënten verpleegd en waren er gemiddeld per dag 84 patiënten. De totale uitgaven waren in dat jaar 86.406,06 gulden, tegenover inkomsten van 63.697,46 gulden. Er resteerde dus een tekort 22.708,60 gulden.

“Een milde geefster”, zo meldde het Tijdschrift voor Geneeskunde, “verminderde de schuldenlast met 50.000 gulden”. In 1897 was er voor vijf jaar geld genoeg om toekomstige tekorten te kunnen dekken. Zo werd ieder jaar het tekort aangevuld met giften van rijke Amsterdammers.

Dagprijs

Voor het ziekenhuis bestonden er twee soorten burgers. De gewone burger die een dagprijs van 1,50 gulden moest betalen werd geplaatst in het ziekengebouw aan de Domselaerstraat. Aan de statige voorkant van het gebouw, aan de Linnaeusstraat, lagen de betere kamers, bestemd voor de meer daadkrachtige zieken. Vooral die laatsten maakten minder gebruik van het Burgerziekenhuis dan gedacht. De bezettingsgraad aan de Linnaeusstraat was jaar in jaar uit, veel te laag. Daardoor liep het Burgerziekenhuis inkomsten mis. Maar er was meer aan de hand. Alle kosten in ogenschouw genomen was wat de gewone burger betaalde te weinig. In 1902 legde het ziekenhuis er per patiënt per dag 0,71 gulden op toe; de patiënt betaalde 1,50 gulden, terwijl de kosten 2,21 gulden waren: 1,13 voor eten, 0,34 voor water en licht, 0,60 voor salariskosten en 0,14 aan medicijnen.

Voor het Burgerziekenhuis was het blijven behandelen van de burger die behoefte had aan verpleging een principekwestie, ook al leidde dat tot een permanent verlies op de exploitatie. De vele schenkingen maakte het mogelijk dat “verpleging(kon) worden gegeven aan een aantal personen, die in de stedelijke ziekenhuizen geen verpleging konden en ook niet behooren te vinden, en voor welke niettemin verpleging in een ziekenhuis vaak gewenscht of noodzakelijk is, en die er inderdaad vaak erger aan toe zijn dan de officiëele armen”, in de woorden van het Tijdschrijft voor Geneeskunde uit die tijd.

Eigen pensioenregeling

De permanente financiële zorgen waren geen belemmering om in 1906 een eigen pensioenregeling voor verpleegsters op te zetten. Als zij de leeftijd van 55 jaar bereikten, kregen ze een klein pensioen. Het bestuur vond dat niet meer dan billijk. Een verpleegster bleef immers doorgaans ongetrouwd en dus was er niemand die hen, eenmaal oud geworden, kon onderhouden. Feitelijk waren de verpleegsters met hun werk getrouwd; het was daarom logisch dat het ziekenhuis de verplichting van een pensioenuitkering op zich nam. Het pensioen bedroeg in die beginjaren overigens 17 gulden per jaar.

De financiële situatie blijft echter heel lang weinig rooskleurig. In 1916 zijn er bijvoorbeeld nog geen 100 van de 150 bedden bezet. In de jaren na 1920 gaat het nog slechter. Het bestuur denkt meerdere keren aan het sluiten van het Burgerziekenhuis. In de jaren na 1930 gaat het langzaam wat beter. Belangrijk daarbij was dat de gemeente toezegde meer ziekenfondspatiënten door te verwijzen naar het Burgerziekenhuis, waardoor de bezettingsgraad steeg. Die nam nog verder toe toen de gemeente in 1936 het bij het Vondelpark gelegen Tesselschadeziekenhuis sloot. Er verdwenen daardoor 345 ziekenhuisbedden in Amsterdam, waarvan ook het Burgerziekenhuis kon profiteren. De economische crisis van de jaren dertig van de 20ste eeuw eiste ook haar tol. Van overheidswege werd er een limiet gesteld aan de verpleegprijs per dag. Daardoor liepen de tekorten van het Burgerziekenhuis weer hoog op. Het bestuur besloot in te teren op de reserves en het ziekenhuis te sluiten als de reserves opgebruikt zouden zijn. Dat besluit werd herzien toen in 1939 de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Door de noodzakelijke verpleging van militairen naam het aantal patiënten weer toe.

Helpende hand

Het voormalige Revalidatie Instituut Muiderpoort aan de Domselaerstraat
Het voormalige Revalidatie Instituut Muiderpoort aan de Domselaerstraat

Na de oorlog was de financiële situatie er niet beter op geworden. Nog steeds waren de kosten hoger dan de inkomsten. In 1948 nam het bestuur het besluit het Burgerziekenhuis het daaropvolgende jaar te zullen gaan sluiten. Het bestuur rekende op een helpende hand van het gemeentebestuur van Amsterdam, maar die kwam er niet. Eind 1949 kwam er wel een reddingsboei van een heel andere kant.

De Sociale Verzekeringsbank (SVB), toen nog de Rijksverzekeringsbank geheten, bekostigde de revalidatie van werknemers die de pech hadden bij een verkeersongeluk of bedrijfsongeval betrokken te zijn geweest. Met het Burgerziekenhuis werd in 1950 afgesproken dat de SVB permanent 25 bedden zou gebruiken voor revalidatie van werknemers. Daarnaast kocht de bank een deel van het terrein en met dit geld kon het ziekenhuis tekorten dekken. De samenwerking tussen SVB en Burgerziekenhuis verliep zo goed dat er in 1955 voor het eerst sprake was van een sluitende exploitatie van het Burgerziekenhuis. In de jaren zeventig van de vorige eeuw werd er, als gevolg van de goede samenwerking een speciaal gebouw voor de revalidatie werd neergezet: het Revalidatie Instituut Muiderpoort aan de Domselaerstraat.

Toenemende concurrentie

De permanente financiële zorgen hadden ook hun effect op de staat van het gebouw. Er was lange tijd geen geld om te investeren of zelfs maar te vervangen. Zo werden de ziekenhuisbedden die in 1890 waren aangeschaft pas in 1955 vervangen door verrijdbare bedden. Hoe modern het ziekenhuis bij de opening ook was, het werd door de jaren heen steeds sleetser en ouderwetser. Ook al ging het financieel nu wat beter, het Burgerziekenhuis kon de concurrentie met andere ziekenhuizen, die meer met de tijd mee waren gegaan en moderner waren, steeds moeilijker volhouden. In 1960 was de prognose dat Amsterdam er de komende twintig jaar nog elf ziekenhuizen bij zou krijgen. Het bestuur maakte plannen (het plan 1960 en het plan 1966) om in die veranderende tijden als zelfstandig ziekenhuis overeind te blijven. Uitbreiding en vernieuwing was hierbij het credo. Zo kwam er in 1970 het Tussengebouw, dat een verbinding maakte tussen Linnaeusstraat en Domselaerstraat. In 1972 werd begonnen met de bouw van een nieuw operatiegebouw, naast het oude gebouw met de koepel.

Veranderende tijden

Ondanks de bouwwoede waren het dreigende tijden voor het voortbestaan van het Burgerziekenhuis. De overheid ging zich in 1974 bemoeien met de als maar stijgende kosten van de ziekenzorg, die begin jaren zestig was ingezet. De kosten voor ziekenhuizen in 1970 waren tien keer verdubbeld ten opzichte van de kosten in 1953. In Amsterdam was er een overcapaciteit aan ziekenhuisbedden. De regering vond dat daar wat aan gedaan moest worden, zo liet de staatssecretaris van Volksgezondheid in 1976 aan het Amsterdamse gemeentebestuur weten. Daar kwam nog bij dat de gemeente plannen had om een nieuw en groot Academisch Medisch Centrum op te zetten, waardoor het aantal ziekenhuisbedden nog verder zou toenemen. Al in 1977 voerde het bestuur geheime besprekingen om het Burgerziekenhuis naar de Flevopolder te verhuizen. Aanvankelijk zou dat naar Lelystad zijn, zoals in de loop van 1977 uitlekte, uiteindelijk werd het Almere, dat toen nog alleen op de tekentafel bestond, maar snel zou groeien tot een stad met meet dan 100.000 inwoners in 1990. Het 100-jarige bestaan van de Stichting Burgerziekenhuis Amsterdam in 1979, kon nog in de Linnaeusstraat worden gevierd, maar verder stond alles in het teken van de naderende verhuizing. Voordat het zover was ging er nog wat tijd overheen, maar in 1988 wordt in Almere de eerste paal van het nieuwe ziekenhuis geslagen. Ver voor de verhuizing, al in 1985 werd er driftig nagedacht wat met het markante gebouw aan de Linnaeusstraat zou moeten gebeuren als het ziekenhuis definitief zou zijn vertrokken. Dat gebeurde uiteindelijk in 1991.

Drastische verbouwing

Nieuwbouw met woningen op het binnenterrein
Nieuwbouw met woningen op het binnenterrein

De gemeente Amsterdam kocht de grond en de gebouwen aan en besluit tot afbraak van een deel van de nieuwbouw en enkele van de oude gebouwen. Zo verdwijnt het nog zeer nieuwe operatiegebouw en het Tussengebouw. Op het terrein kwam nieuwbouw voor woningen. Wat resteert van het ziekenhuis wordt in 1991 drastisch verbouwd. De ziekenvleugel wordt een woon- en werkruimte voor vrouwen.

In het operatiegebouw kwam een ruimte voor exposities en woningen. In 1992 opent het stadsdeelkantoor Amsterdam Oost haar deuren in het verbouwde hoofdgebouw van het Burgerziekenhuis.

Heel lang zou het stadsdeel er niet kantoor houden. In 1998 gingen stadsdelen in Amsterdam fuseren; Stadsdeel Oost ging samen met stadsdeel Watergraafsmeer. Een groter onderkomen was daardoor nodig. Na nieuwbouw van het stadsdeelhuis, vertrok het stadsdeel in 2009 van de Linnaeusstraat. En weer werd het pand verbouwd, tot hotel dit keer. Al die tijd heeft niemand iets willen veranderen aan de markante buitenkant van het gebouw. Vanaf de Linnaeusstraat ziet het gebouw met hotel er nog net zo uit als toen het als ziekenhuis werd geopend. Dat mag een bijzondere verdienste genoemd worden van architect Van Gendt.

Hans Buis

prins_bernard_gewond_bij_auto_ongeluk

Prins Bernhard in de fout

Een zware hersenschudding, en schedelbasisfractuur en een paar gebroken ribben. Dat is de diagnose die prins Bernhard kreeg op 29 november 1937 in het Burgerziekenhuis. De prins was met veel vaartje van 90 kilometer tegen een zandauto gereden op de Muiderstraatweg in Diemen, binnen de bebouwde kom dus.

En ook al wilde Bernhard aanvankelijk de andere chauffeur een proces aandoen, het was overduidelijk dat hij zelf het ongeluk had veroorzaakt. De prins moest een paar weken in het ziekenhuis blijven. Prinses Juliana, hoogzwanger van prinses Beatrix, en koningin Wilhelmina namen ook hun intrek in het ziekenhuis. Staatszaken werden tot 5 januari 1938 in het Burgerziekenhuis afgehandeld.

Ajax legacy and heritage collection. Details will be updated shortly.

De meest beroemde boorling

Als je in Betondorp woonde, was het Burgerziekenhuis de meest nabije plek voor medische verzorging of voor medische assistentie bij geboorten. De meest beroemde boorling van het Burgerziekenhuis is ongetwijfeld Johan Cruyff, die er op 25 april 1947 geboren werd. 

Manor Hotel

Dak opgekrikt

Na het vertrek van het stadsdeel werd het hoofdgebouw aan de Linnaeusstraat tot hotel verbouwd. Om meer hotelkamers te creëren werd de overkapping van het hoofdgebouw tachtig centimeter opgekrikt. Hierdoor ontstond voldoende ruimte om te lopen en te staan en was het mogelijk op de zolder 33 hotelkamers te maken.

Omdat het dak nu hoger en langer werd, volgde er een speurtocht naar oude dakpannen om het verlengen van het dak aan de buitenkant niet zichtbaar te laten zijn. Wel nieuw zijn de markiezen aan de voorgevel. Ze hebben de aloude oranje-wit gestreepte kleuren gekregen, waardoor de voorkant er vertrouwd uitziet.

SONY DSC

Eten in de 'wijnwinkel'

Het Manor Hotel is onderdeel van de Hamshire hotelketen. In het hotel is het Italiaanse restaurant Enoteca gevestigd. De helaas overleden Amsterdamse restaurantcriticus Johsnnes van Dam gaf Enoteca een 8+ toen hij het restaurant in 2011 bezocht (Het Parool 17 september 2011). Enoteca betekent wijnwinkel, maar kan ook vertaald worden met wijnkelder.

afbeelding BVV_1

BVV voor iedereen

Na het vertrek van het Burgerziekenhuis zorgde in het oude ziekengebouw aan de Domselaerstraat de stichting Bedrijvencentrum voor Vrouwen (BVV) voor de verhuur van bedrijfsruimten. De ruimten zijn kleinschalig en met redelijk lage huren zeer geschikt voor startende ondernemers. Hoewel de naam niet is veranderd, is het exclusief richten op vrouwelijke ondernemers in 2012 verdwenen. Per 1 januari 2016 is de naam veranderd in Ondernemerscentrum Muiderpoort. Er zijn 34 bedrijfsruimten, variërend van 10 tot 45 m2, die met enige regelmaat te huur staan; www.stichtingbvv.nl.

Bronnen:

  • Bert Speet en Dick van de Pol, Van Burgers naar Buitenlui. Na honderdtwaalf jaar Amsterdam verhuist het Burgerziekenhuis naar Almere. Een tijdsbeeld. Cambrium Laren 1991
  • Wim de Wagt, Paleis voor alle burgers. Van Burgerziekenhuis tot design hotel. Lubberhuizen Amsterdam 2011
  • Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, Burgerziekenhuis te Amsterdam. Jaargang 1898, bladzijde 871.
  • Marius van Melle, Bedden voor burgers met gasthuisvrees, in Ons Amsterdam nr. 11 – 12. December 2007
  • M.M. Bakker en F.M. van de Pol, Architectuur en stedebouw in Amsterdam 1850 – 1940. Rijksdienst voor de monumentenzorg Zeist 1992
  • Applicatie (App). Architectuur en geschiedenis van Amsterdam tussen 1850 en 1940. Van Contenecontent.com.  Voor Android (Google play) en iOS (App Store) http://020apps.nl/1850-1940/app