Linnaeusstraat (1) — Het legendarische Burgerziekenhuis

Particulier initiatief zorgde er voor dat het Burger- ziekenhuis op 18 maart 1891 een gloednieuw gebouw aan de Linnaeusstraat in gebruik kon nemen. De enorme groei van het aantal inwoners van Amsterdam had zeker met de keuze voor het vestigen in Amsterdam Oost te maken. Het ziekenhuis was bij de opening het meest moderne van het land.

Voordat het Burgerziekenhuis in Oost neerstreek, opende het in 1879 voor het eerst haar deuren aan de Keizersgracht 187. Het was een enerverende tijd voor de ontwikkelingen in de medische behandeling. Het belang van hygiëne om ziekteverwekkers te weren, werd vastgesteld, sterilisatie van wondverbanden en medische gereedschappen werden gemeengoed en de narcose deed zijn intrede. Dat alles vereiste een moderne aanpak van de behandeling en verpleging van zieken.

Het Burgerziekenhuis in 1891
Het Burgerziekenhuis in 1891

Het was voor het eerst dat er ziekenhuizen ontstonden zoals we die nu nog kennen. Een verschijnsel dat zich in heel Europa voordeed, met Duitsland en Frankrijk als lichtend voorbeeld. In Amsterdam ontstonden aan het einde van de 19e eeuw in korte tijd op zeven verschillende plekken ziekenhuizen.

Te mijden als de pest

Er kwamen gereformeerde en lutherse ziekenhuizen en in 1898 werd het rooms-katholieke Onze Lieve Vrouwen Gasthuis bij het Oosterpark geopend. De toenemende aandacht voor zorg en welzijn van de alsmaar groeiende stadsbevolking had daar alles mee te maken. Medische inzichten en sociale motieven gingen dus hand in hand. Het is dan ook geen toeval dat het Burgerziekenhuis van het te klein geworden onderkomen aan de Keizersgracht verhuisde naar het zich toen snel ontwikkelende Amsterdam Oost.

Ziekenhuizen waren een nieuw verschijnsel in die tijd. Daarvoor bestonden er al eeuwen gasthuizen, maar die waren in niets te vergelijken met het moderne ziekenhuis zoals die in de tweede helft van de 19e eeuw opgeld deden. Gasthuizen waren plekken om te mijden als de pest. Dat mag ook zeer letterlijk genomen worden, want één van de Amsterdamse gasthuizen was ook een pesthuis, waar de aan deze zeer besmettelijke ziekte lijdende patiënten naar toe gebracht werden. Dat was het Buitengasthuis, niet voor niets buiten de stadsmuren gelegen. Verder was er in de stad het Binnengasthuis, gelegen binnen de stadsmuren.

De toegangspoort naar het Binnengasthuis
De toegangspoort naar het Binnengasthuis

In de 19e eeuw kwam je als zieke alleen maar in gasthuizen terecht als er echt geen andere mogelijkheid meer was. Dan was je erg arm en kon je familie niet meer voor je zorgen. Genezen was nu niet meteen het kenmerk van de gasthuizen. In het Buitengasthuis stierf 1 op de 4,2 binnengebrachte patiënten (op basis van cijfers over de jaren 1818 – 1827). In het Binnengasthuis was dat iets beter: 1 op de 9,5. Het personeel was ronduit wreed. Patiënten werden mishandeld als ze geen fooien gaven, medicijnen werden hen onthouden en aan andere tegen betaling aangeboden; dat gebeurde ook met het eten. Het personeel – zeker geen verplegenden – was zelf zeer arm, maakte lange werkdagen en kreeg nauwelijks betaald. Een opleiding voor verplegenden bestond al helemaal niet.

 De ‘Amsterdamse Gasthuiskwestie’

De Amsterdamse politiek kende in de 19e eeuw dertig jaar lang de Gasthuiskwestie. Er moest wat aan de wantoestanden gedaan worden, maar wat? Dat bleef jaar in jaar uit een onopgeloste zaak. Er werd veel over geschreven, er werden voorstellen gedaan, maar er veranderde niets wezenlijks. De afwezigheid van de wil bij de meerderheid in de gemeenteraad om een leidende rol te spelen in de samenleving, verlamde de besluitvorming. De heersende opvatting was dat het bestuur van de gemeente zich met sociale ontwikkelingen in de stad niet moest bemoeien, particulieren moesten het maar doen. Diezelfde houding van afzijdigheid strekte zich ook uit tot de fysieke groei van Amsterdam en leidde tot het ontstaan van direct al als onleefbare betitelde woonwijken, zoals de Pijp, de Dapperbuurt en de Oosterparkbuurt. (Lees hier meer over in De ellendigste straten met de edelste namen).

Anton Berns
Anton Berns

Als het om medische zorg ging roerden de particulieren zich voluit. Veel maatschappelijke en religieuze instellingen, maar ook individuen hadden aandacht voor zorg en welzijn van de Amsterdamse bevolking. Onder hen waren ook de arts Anton Berns en zijn vrouw Woltera van Rees. Anton Berns schreef twee uitvoerige brochures over de noodzaak de gasthuizen te hervormen; de publicaties verschenen in 1883 en 1886 en vormden een bijdrage aan de discussie over de ‘gasthuiskwestie’.

Berns stelde zelfs voor het Binnengasthuis af te breken, de grond te exploiteren en met het verdiende geld op de plek van het naargeestige Buitengasthuis een modern ziekenhuis te bouwen. Om zijn doel te bereiken nam hij ook zitting in de gemeenteraad, maar dat mocht niet baten. In de Amsterdamse politiek veranderde er niets. Al schijnt het karakter van Berns niet geholpen te hebben zijn plannen te verwezenlijken. Berns was erg overtuigd van zijn eigen gelijk en hij wilde dat graag krijgen ook. Wie het niet met hem eens was, had gewoon minder goede argumenten, vond hij.

Een vereniging voor zieke burgers

Het echtpaar Berns - Van Rees nam het heft in eigen hand, op de gemeenteraad kon niet gewacht worden. Ze richtten in 1878 de Vereniging Burgerziekenhuis Amsterdam op met als doel een ziekenhuis te stichten. Een ziekenhuis voor de burger die te arm was om een dokter aan huis te laten komen, maar wel geld genoeg had om een bijdrage te geven aan een behandeling in een ziekenhuis. Het kostte het echtpaar Berns maar een paar maanden om het benodigde bedrag van 60.000 gulden bij elkaar te krijgen; er werd zelfs 12.000 gulden meer opgehaald.

Anton Berns en Woltera van Rees
Anton Berns en Woltera van Rees

Bijzondere verdienste hadden daarbij Abraham Wertheim, een bekende Amsterdamse bankier en weldoener, en Alexander Sillem die de penningmeester van de Vereniging werd. Zij geloofden erg in de noodzaak van een ziekenhuis voor de middenklasse die in belangrijke mate bijdroeg aan de economische groei van de stad.

In 1879 opende het Burgerziekenhuis de deuren aan de Keizersgracht 187. Anton Berns werd geneesheer-directeur en zijn vrouw Woltera van Rees zwaaide de scepter over de verpleegafdeling. De verpleging werd vooral door vrouwen uit de gegoede klasse gedaan. Een salaris stond er niet tegenover.

Een stuk weiland aan de Linnaeusstraat

Het Burgerziekenhuis was al snel een doorslaand succes. Het aantal patiënten verdrievoudigde tussen 1879 en 1886. In 1882 was het al noodzakelijk gebleken het ziekenhuis uit te breiden door het belendende pand bij het ziekenhuis te trekken. Daarmee was aan de behoefte aan bedden nog niet voldaan. Verdere uitbreiding aan de Keizersgracht zat er niet in; er werd gezocht naar een nieuwe locatie. Dat werd uiteindelijk een flink stuk weiland aan de Linnaeusstraat. Het stuk grond werd in de zomer van 1884 in der haast aangekocht na een besluit door slechts drie leden van het bestuur van de Vereniging – de andere leden van het bestuur waren op vakantie. De drie bestuursleden waren bang achter het net te vissen. Amsterdam Oost groeide immers snel en andere gegadigden zouden de grond wel eens willen verwerven om er huizen op te zetten.

Het Burgerziekenhuis vlak na de opening
Het Burgerziekenhuis vlak na de opening

De grond was nu in eigendom van de Vereniging, maar het geld voor de bouw van een nieuw ziekenhuis moest nog bij elkaar gebracht worden. Geld dat weer van particulieren moest komen. Dat kostte dit keer meer moeite dan bij de start van de Vereniging vijf jaar daarvoor. Niettemin werd met de bouw begonnen voor het benodigde kapitaal helemaal binnen was, dat was in 1889. De verloting van 156 kunstwerken door kunstenaars voor een bescheiden bedrag aan de Vereniging beschikbaar gesteld, bracht in 1891 uitkomst. Er werd nu genoeg geld ingezameld en op 18 maart 1891 opende het Burgerziekenhuis aan de Linnaeusstraat de deuren. Daar stond het ziekenhuis in de eerste jaren nog in een kale vlakte en kon er uitgekeken worden op de omringende weilanden.

Duitsland als voorbeeld

Het was het meest moderne ziekenhuis uit die tijd. Berns en de architect A.L. van Gendt -  ook de architect van het Concertgebouw - hadden zich georiënteerd in Duitsland waar de stand van kennis over ziekhuisbouw toen stukken verder was dan in Nederland. In Duitsland stond de paviljoenbouw voor ziekenhuizen in hoog aanzien. Dit concept week af van de corridorbouw: lange gangen waar ziekenzalen aan lagen. Bij de paviljoenbouw ging het om gebouwen verspreid over een terrein, zodat er veel licht de ziekenzalen in kon stromen. In paviljoens werd het Burgerziekenhuis niet gebouwd, maar veel licht werd er wel gecreëerd door op het binnenterrein een grote tuin aan te leggen.

De ziekenzalen waren te vinden in het hoofdgebouw aan de Linnaeusstraat en haaks daarop in wat het ziekengebouw heette, aan de Domselaerstraat. En ook al lagen de zalen traditioneel aan een gang, de zieken konden vanuit hun bed uitkijken op het groen. Er kwamen loggia’s en serres, waar het goed toeven was. Er stonden ook gebouwen apart in de tuin, al waren die niet voor het verplegen van zieken bedoeld. Kenmerkend is nog steeds het gebouw met de koepel (foto rechts) waar de operatiekamers waren en waar aangrenzend de polikliniek werd gevestigd. Moderne technische installaties zorgden er voor dat er verwarming en elektrisch licht in het hele ziekenhuis aanwezig was.

Het voormalige operatiegebouw
Het voormalige operatiegebouw

Dat de operatiekamers in het koepelgebouw werden gehuisvest, was het gevolg van inzichten dat besmetting zo veel mogelijk moest worden voorkomen. Daarom werden de patiënten met besmettelijke ziekten in een apart, volledig geïsoleerd gebouw behandeld dat veraf lag van de Linnaeusstraat, op het uiterste puntje van ziekenhuisterrein. Overigens lag niet ver daarvandaan het lijkenhuis.

Het ziekenhuis was ook modern in haar organisatievorm. Anton Berns stond aan het roer als geneesheer-directeur. De zeggenschap over een ziekenhuis moest in zijn ogen daar liggen en niet bij een bestuur. De taak die hij voor een bestuur zag was vooral op het geld te letten, op de exploitatiekosten dus.

Lang bleef het echtpaar Berns niet aan het roer staan van het Burgerziekenhuis. In 1892 – een jaar na de opening aan de Linnaeusstraat - vertrokken zij naar Freiburg in Duitsland, om zich daar toe te leggen op het kweken van coniferen. Het echtpaar bleef wel zitting houden in het bestuur.

Lees meer over het Burgerziekenhuis en wat er met het gebouw gebeurde nadat het ziekenhuis naar Almere verhuisde in De drie levens van het meest markante gebouw aan de Linnaeusstraat.

Hans Buis

A.L. van Gendt

Architect Van Gendt

Architect A.L. van Gendt heeft in Amsterdam naast het Burgerziekenhuis meer markante gebouwen ontworpen. Zijn meest bekende creatie is ongetwijfeld het Concertgebouw. Hij is ook de architect van het Heineken paviljoen, aan het 2e Weteringsplantsoen. Hier woonde lange tijd G.A. Heineken; het was maar een paar minuten lopen naar de Heineken brouwerij aan de Stadhouderskade, aan de andere kant van het water. 

Van Gendt werkte verder mee aan het ontwerp van het Centraal Station (hoofd architect Pierre Cuypers) en de Stadsschouwburg (hoofd architecten vader Willem en zoon Jan Springer). Van Gendt ontwierp ook Café de IJsbreker aan de Weesperzijde. Ook de half overdekte winkelgalerij aan de Raadhuisstraat is ontworpen door het kantoor A.L. van Gendt en Zonen. De Raadshuisstraat werd in 1895 aangelegd als een doorbraak tussen Dam en – gedempte - Rozengracht. Door het verdwijnen van de stadswallen was er behoefte aan een uitvalsweg naar het westen. Door de aanleg van de Raadhuisstraat moesten er panden aan de grachten gesloopt worden. Het eerste onderkomen van het Burgerziekenhuis – aan de Keizersgracht 187 – was één van de panden die werden gesloopt.

 

Woltera van Rees

Bordje Woltera van Reesstraat

Het echtpaar Van Rees bemoeide zich pas op latere leeftijd met de ziekenzorg in Amsterdam. Oorspronkelijk als predikant opgeleid in Utrecht, studeerde Anton Berns pas op 31 jarige leeftijd in 1869 af als arts. Het echtpaar trok naar de Frans Duitse grens waar van 1870 tot 1871 de Frans-Duitse oorlog in alle hevigheid woedde, om daar de soldaten te verplegen. Na de oorlog belandde het echtpaar in de Duitse stad Freiburg. Hier kon Anton Berns hoogleraar worden, maar hij deed liever het praktische werk van een arts. In 1875 opende hij een praktijk aan de Leliegracht 17. Consulten werden ook afgenomen in het Zeemanshuis aan het Kadijksplein waar vooral zeelieden als patiënten behandeld werden.

Wertheim

Weldoener Wertheim

De bekende Amsterdamse bankier en weldoener Abraham Carel Wertheim, was behalve lid van de Commissie van Oprichting, van 1886 tot aan zijn dood in 1897 voorzitter van de Vereniging Burgerziekenhuis. Wertheim was bij bijna elk sociaal initiatief in Amsterdam betrokken. Hij gaf daarbij niet alleen geld, maar ook waardevolle adviezen. Hij gebruikte zijn uitgebreide netwerk om geld los te peuteren. Net aangetreden als voorzitter lukte het hem in korte tijd 350.000 gulden bij elkaar te krijgen voor het te bouwen pand aan de Linnaeusstraat. Een gift van 100.000 gulden kwam van de directeur van de Deli-Maatschappij, die toen in de tabaksteelt in Indonesië zat. Ter vergelijking: een fabrieksarbeider verdiende toen ongeveer 500 gulden per jaar.

Het Wertheimpark gelegen tegenover de Hortus Botanicus, is naar A.C. Wertheim genoemd. Het park is vooral bekend vanwege het Auschwitz herinneringsmonument Gebroken Spiegels, gemaakt door de schrijver Jan Wolters.

Sillem foto

Fondsenwerver Sillem

Voor de oprichting van het Burgerziekenhuis was ook Alexander Sillem van groot belang, die de eigenlijke fondsenwerver van de Vereniging werd. In het bestuur zette hij zich bijzonder in om het plan voor een ziekenhuis voor gewone burgers te realiseren. Hij was ook, naast Berns, één van de drie bestuursleden die op stel en sprong besloten de grond aan de Linnaeusstraat te kopen om daar het Burgerziekenhuis te kunnen vestigen. Tot aan zijn dood in 1912 was Sillem penningmeester van het bestuur van de Vereniging. Zijn memoires, Herinneringen, heeft hij gekluisterd aan zijn ziekbed, in het Burgerziekenhuis geschreven. Hij overleed overigens niet in het Burgerziekenhuis, maar thuis.

Wilhelmina gasthuis

Het Binnengasthuis toch vervangen

De gasthuiskwestie van Amsterdam leidde uiteindelijk toch tot de bouw van een nieuw ziekenhuis vlak bij de plek waar het Buitengasthuis stond. Dat werd het Wilhemina Gasthuis aan de Eerste Helmersstraat in Amsterdam West. In 1891 werd dit nieuwe ziekenhuis geopend, dat was gebouwd volgens de principes van de paviljoenbouw. De eerste ideeën hiervoor waren al in 1867 aangeleverd door de architect Cornelis Outshoorn, die ook het Amstel Hotel en het in 1929 afgebrande Paleis voor Volksvlijt ontwierp. Outshoorn verwees voor de ideeën van de paviljoenbouw naar voorbeelden in Frankrijk. Outshoorn overleed in 1875, ver voor het Wilhemina Gasthuis gerealiseerd werd. Het hoofdgebouw van het ziekenhuis werd ontworpen door H. Leguyt (op de foto de poort die toegang gaf tot het hoofdgebouw). Het Wilhelmina Gasthuis bleef tot 1983 bestaan, toen verhuisden de laatste patiënten naar het Academisch Medisch Centrum (AMC) in Amsterdam ZuidOost. Ook het Binnengasthuis werd onderdeel van het AMC.

Bronnen:

  • Annet Mooij, De polsslag van de stad. 350 jaar academische geneeskunde in Amsterdam. Arbeiderspers Amsterdam 1999
  • Bert Speet en Dick van de Pol, Van Burgers naar Buitenlui. Na honderdtwaalf jaar Amsterdam verhuist het Burgerziekenhuis naar Almere. Een tijdsbeeld. Cambrium Laren 1991
  • Wim de Wagt, Paleis voor alle burgers. Van Burgerziekenhuis tot design hotel. Lubberhuizen Amsterdam 2011
  • Marius van Melle, Bedden voor burgers met gasthuisvrees, in Ons Amsterdam nr. 11 – 12. December 2007
  • Prof. C.B. Tilanus, De Amsterdamsche gasthuiskwestie. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 7 januari 1865.
  • Barbara van Vonderen, Deftig en ondernemend. Amsterdam 1870 – 1910. Meulenhoff Amsterdam 2013
  • Marius van Melle, Bedden voor burgers met gasthuisvrees, in Ons Amsterdam nr. 11 – 12. December 2007
  • Esther Gramsbergen, Kwartiermakers in Amsterdam. Stedelijke instellingen als aanjagers van de ruimtelijke ontwikkeling 1580 – 1880. Uitgeverij Vantilt Nijmegen 2014.
  • M.M. Bakker en F.M. van de Pol, Architectuur en stedebouw in Amsterdam 1850 – 1940. Rijksdienst voor de monumentenzorg Zeist 1992
  • Applicatie (App). Architectuur en geschiedenis van Amsterdam tussen 1850 en 1940. Van Contenecontent.com. Voor Android (Google play) en iOS (App Store) http://020apps.nl/1850-1940/app